Van imiteren tot in vrijheid jezelf worden volgens Ignatius

Van imiteren tot in vrijheid jezelf worden volgens Ignatius

door Stephan Kessler S.J.

door Stephan Kessler S.J.

Het spanningsveld van imitatie en vrijheid in de spiritualiteit van de Geestelijke Oefeningen

De mens leert door te imiteren. Daartoe beschikt hij over een gave om na te bootsen: Als klein kind begint hij al heel actief de wereld creatief te ontsluiten door die na te bootsen. De Franse godsdienstwetenschapper en letterkundige René Girard (1923-2015) beschouwt deze gave of dwang om na te bootsen (mimesis, red.) als het begin van iedere cultuur. Het vermogen om zo snel mogelijk houdingen of manieren van doen te kunnen nabootsen, bepaalt in de geschiedenis van de evolutie de vooruitgang van een soort. Toch is deze nabootsing op zich nog geen garantie dat er werkelijk sprake is van een verdere ontwikkeling. Daarvan kun je pas spreken als het gaat om een redelijke imitatie die open staat voor aanpassingen en verbeteringen. De loutere en strakke herhaling brengt op den duur niets nieuws. Ontwikkeling wordt vooral gegarandeerd door een imitatie die rekening houdt met de situatie en die in staat is om het door imitatie geleerde in een andere situatie aan te passen, een vervolg te geven en zo verder te ontwikkelen.

Leren is meer dan herhalen

Dat dit meer is dan een abstracte vormingstheorie heeft iedereen ervaren die in een context van school en vorming een echte leerervaring mocht hebben. Want leren kun  je alleen als het om meer gaat dan een reproductie in de betekenis van een dom van buiten leren of louter herhaling. Er bestaan wel leermethodes die gericht zijn op imiteren en reproduceren. In de meeste gevallen is de eerste stap om iets te leren zich iets eigen maken door herhaling. De leerling moet eerst nadoen en reproduceren, of het nu om schrijven, rekenen of pianospelen gaat. De oefeningen moeten er eerst goed in zitten. Dat geldt voor alle technieken die met cultuur te maken hebben en niet op de laatste plaats voor het leren op religieus gebied. Maar een cultuur kan niet bij het oefenen blijven staan. Puur reproduceren is op zichzelf nog geen weten en allerminst voldoende. Er moeten andere stappen volgen: de door nadoen geleerde stof moet in een proces van reorganisatie aan de situatie die steeds weer verandert, worden aangepast. De beslissende stap is daarbij het overdrachtsproces, waarin het door nadoen geleerde een nieuwe context krijgt en daarbij niet alleen aangepast wordt maar ook een vervolg krijgt en zelfstandig en aan de situatie aangepast verder wordt ontwikkeld. Daarvoor zijn nodig, naast een grondige kennis, vooral vrijheid en de aanmoediging om het devies van de Verlichting dat afkomstig is van Horatius (65-8 v.C.) in daden om te zetten: “Sapere aude – Durf het aan om wijs te zijn”. Kantiaans geformuleerd betekent dat: “Heb de moed om je eigen verstand te gebruiken.”

Wie iets heeft meegemaakt van de dynamiek van de Geestelijke Oefeningen van Ignatius van Loyola (1491-1556) zal gemakkelijk daarin de kentheoretische drieslag herkennen van herhaling, reorganisatie en overdracht. In de dynamiek van de ignatiaanse Geestelijke Oefeningen gaat het nooit om een loutere herhaling. Het doel van een geestelijke oefening in de zin van Ignatius is nooit een onveranderlijke en herhalende toepassing van de stof die wordt gepresenteerd, ook al is de praktijk van het geven van de Oefeningen soms voor die verleiding bezweken. De “Aantekeningen” die voorafgaan aan de Geestelijke Oefeningen leggen al het accent op een strikt inductieve methode. Om de creativiteit en de zelfstandigheid van degene die de Oefeningen doet aan te moedigen en zelfs uit te dagen, moet degene die de Oefeningen geeft de stof die ter overweging wordt voorgelegd “slechts met een korte, bondige uitleg” doornemen en alleen de belangrijkste punten aangeven. Want de retraitant “zal meer smaak en geestelijke vrucht vinden”, als hij zelfstandig en door Gods ingeving iets ontdekt, dan “wanneer de zin van de geschiedenis uitvoerig wordt verklaard.” “Want niet het vele weten verzadigt en voldoet de ziel, maar wel het innerlijk voelen en smaken” (GO 2). De grondstelling die door Plinius de Jongere (62-113 n.C.) is overgeleverd, “non multa, sed multum – niet velerlei, maar veel” (of: niet veel, maar wel intens of grondig, red.), komt hier tot zijn recht en onderstreept het vertrouwen dat men heeft in de eigen verantwoordelijkheid en vrijheid van de retraitant. Deze pedagogiek van de Geestelijke Oefeningen, die gericht is op die eigen verantwoordelijkheid en die te vinden is in de aantekeningen, krijgen een consequent vervolg in het proces van de Geestelijke Oefeningen. In die zin begint iedere gebedstijd met een vrij gebed: de retraitant wordt in de context van de stof voor zijn persoonlijke gebedstijd aangespoord om datgene te vragen wat hij verlangt (GO 55 e.a.). Aangepast aan deze persoon moet de stof die wordt voorgelegd ook met het heel persoonlijke verlangen al biddend in contact worden gebracht en worden geformuleerd. Dat staat ver af van de bedoeling om iets op te leggen of in een proces in te grijpen door er zijn eigen vorm aan te geven.

Ook het einde van iedere afzonderlijke gebedstijd gedurende de Geestelijke Oefeningen wordt gekenmerkt door zo’n element dat de nadruk legt op de vrijheid van de retraitant. Ter afsluiting van de meditatie beveelt Ignatius aan telkens een samenspraak met verschillende personen te houden (colloquia). Dat zijn gesprekken die wel betrekking hebben op de stof waarover gemediteerd is, maar die verder vrij zijn, zonder dat de inhoud tevoren bepaald wordt. In relatie tot datgene waarover gemediteerd werd zal openlijk met de belangrijkste personen die een rol in het gebed speelden, gesproken worden. Deze gesprekken “houdt men door echt te spreken zoals een vriend spreekt met zijn vriend of een dienaar met zijn heer” (GO 54). Zonder vooringenomenheid en vrij “overeenkomstig wat men in zich voelt” zal de retraitant zich afvragen “wat ik wil zeggen aan de drie goddelijke personen of aan het mensgeworden eeuwige Woord” (GO 109). Deze analyse van het kader van de gebedstijden moge voldoende zijn om het bewijs te leveren, dat het in de Geestelijke Oefeningen noch om een reproducerende herhaling gaat noch om een deductief leerproces. Ze zijn niet een vorm van vrome indoctrinatie of een proces dat door degene die de Oefeningen geeft gestuurd kan worden. De focus van de Geestelijke Oefeningen is de overdracht van stof naar de persoonlijke situatie van de retraitant. Geestelijke Oefeningen zijn gericht op een overdracht die de retraitant wil brengen van een vorm van nabootsing of imitatie tot de vrijheid van de navolging. De stof voor de Oefeningen wordt voorgelegd en is in die zin voorgegeven. Maar voorop staat de mens als individu, met zijn vermogen om vrij te beslissen.

Leren kiezen voor de vrijheid in Christus

Het menselijk leven en ook het religieuze bestaan bewegen zich altijd in het spanningsveld van lot en vrijheid. Aan de ene kant staan de onherroepelijke en door het lot bepaalde factoren die het bestaan bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld plaats, tijd en geslacht. Aan de andere kant staan de vrije accenten die een mens in zijn leven kan leggen, ondanks alles wat door het lot voorgegeven is. Dat zijn daden die je emancipatorisch zou kunnen noemen, waarin de mens los van afkomst en traditie aan zijn individualiteit gestalte geeft. Dat zijn ook de beslissingen die een echte keuze inhouden. Het centrum van het proces van de Geestelijke Oefeningen is de “Keuze”: de retraitant neemt een beslissing, “zonder zich te laten leiden door een ongeordende gehechtheid” (GO 21). Deze  keuze integreert actief de onveranderlijke factoren en grenzen en behelst een beslissing, die zich op de dynamiek van de geheimen van Jezus’ leven oriënteert. In de antropologie van Ignatius “voegt de geestelijke dynamiek van de keuze zich naar het leven van de Godmens Jezus” (Hugo Rahner). De menselijke identiteit kan in het geestelijk wereldbeeld van Ignatius alleen verwerkelijkt worden aan de zijde van Jezus en naar zijn voorbeeld. Als de mens de levenshouding van Jezus uit vrije wil navolgt, realiseert hij zijn vrijheid en vindt hij zijn diepste identiteit. Met een formulering van Hans Urs von Balthasar gaat het erom, in het proces van de Geestelijke Oefeningen door middel van de beschouwing van het leven van Jezus “de keuze van God voor mij te kiezen”. De keuze van de Geestelijke Oefeningen is dus niet zonder vooronderstelling: “Choose to be chosen – kies verkozen te zijn”. Zij heeft een christocentrische toespitsing en is ingebed in een vruchtbare dialoog met het levensmodel van Jezus. Aan de ene kant is de keuze actief en vrij, anderzijds stemt ze overeen met  de bestaande verhouding van het gekozen zijn door Christus. Het gaat om de in vrijheid kiezende mens en God die roept, die zorg voor mij heeft en zich om mijn lot bekommert. De Mexicaanse schrijver en Nobelprijswinnaar Octavio Paz (1914-1998) maakt de lapidaire opmerking dat “de liefde een knoop is, waarin lot en vrijheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn”. Dat is de beslissende richting waarin ook de Geestelijke Oefeningen wijzen: Vrijheid is ondenkbaar zonder liefde.

De pedagogiek van de vrijheid: nabootsing wordt navolging

In de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit neemt het thema van de navolging van Christus een belangrijke plaats in. Ofschoon het idee en het woord “nabootsing” niet tot het vocabulaire van de Bijbel horen, wordt de roep van Jezus om hem na te volgen al in de vroegste tijd geduid als een oproep om hem “na te bootsen”, te leven als Hij. Deze voorstelling wordt als het ware in deze formule gevat: Jezus navolgen betekent hem nabootsen (Augustinus: “Quid est enim sequi, nisi imitari”). Dit verstaan van de navolging van Christus als een nabootsing is een motief dat door de geschiedenis van de westerse spiritualiteit tot aan Ignatius heenloopt. Toen hij de eerste stappen zette op het pad van de bekering was het ook zijn doel Jezus zo getrouw mogelijk na te bootsen. Niet voor niets draagt het boek dat beslissend was voor zijn levensgeschiedenis en dat hij in 1523 ontdekte, de titel “De Imitatione Christi – De Navolging van Christus”. In de veronderstelling dat het geschreven was door de kanselier van de Parijse universiteit Johannes Gerson (1363-1429), noemde hij dit boek zijn “Gersoncito”. Hij draagt het zijn leven lang met zich mee, beveelt het uitdrukkelijk aan nog voor de lezing van de Evangelies (GO 100) en geeft het door aan anderen. Dit werk is een van de belangrijkste vruchten van de spiritualiteit van de Moderne Devotie en is geschreven door Thomas van Kempen (1379/80-1471). Centraal erin is de beschouwing van het leven van Jezus als het beslissende voorbeeld (exemplum) ter navolging. Daarom moet wie als christen wil leven zich oefenen in het zich geestelijk identificeren met het leven en lijden van de Heer, om Jezus op persoonlijk vlak intensiever te kunnen volgen. Deze tonaliteit klinkt duidelijk door in de Geestelijke Oefeningen van Ignatius, waarbij daarin het sterk individualiserende en de wereld ontvluchtende karakter van de “imitatio  Christi” afgezwakt en genuanceerd wordt.

In de eerste fase van zijn bekering is Ignatius volledig het ascetisch ideaal van het ontvluchten van de wereld, zoals de vroomheid van zijn tijd dat kende, toegedaan. Het gaat hem om een zo nauwkeurig mogelijke, letterlijke nabootsing van Jezus. Zijn omgaan met het Christusgebeuren en hoe hij dat verstaat volgen de ascetische traditie van de vroomheid van zijn tijd. En deze is weer consequent monastiek gefundeerd en gemotiveerd. Naast het verlangen naar het kluizenaarsideaal van de kartuizers zijn het de ordestichters Dominicus en Franciscus die voorbeelden waren van de navolging van Christus. De gedachte van een zo getrouw mogelijke kopie ligt ook ten grondslag aan en is het motief voor de reis van Ignatius naar het Heilig Land: “Heel zijn verlangen ging er ten slotte naar uit op tocht te gaan naar Jerusalem (…) onder zoveel tuchtiging en onthouding als een van God ontvlamde, edelmoedige ziel verlangt te doen” (Het verhaal van de pelgrim 9). Op de heilige plaatsen kan de pelgrim Jezus op bijzondere wijze nabij zijn en daartoe aangespoord door de plaats waar hij zich bevindt ook zijn manier van doen als het ware kopiëren. Dat is ook de reden waarom in de Geestelijke Oefeningen de plaatsvoorstelling bij de beschouwingen over het leven van Jezus uitdrukkelijk wordt aanbevolen. In het verloop van zijn geestelijke ontwikkeling komt Ignatius langzaam terug op zijn zeer individualistische opvatting van de imitatio, die al te zeer beperkt was tot boetedoening en dat soms ook wat dwangmatig. Zijn oorspronkelijk zeer persoonlijke devotie verbreedt zich tot een apostolisch ideaal dat meer gericht is op de mensen. “Zijn vaste voornemen was het om in Jerusalem te blijven en steeds die heilige plaatsen te bezoeken; ook had hij, naast die devotie, zich voorgenomen om de zielen te helpen” (Pelgrim 45). Deze opening naar de naaste markeert de beslissende stap in het leerproces en voegt een fundamentele dimensie toe aan de ignatiaanse spiritualiteit.

De grotere dienst aan de naaste wordt een grotere lofprijzing van God 

Een voorbeeld van het geestelijk leerproces van Ignatius en van zijn vermogen zich aan te passen is te vinden in het autobiografische Het verhaal van de pelgrim, waarin zijn innerlijke en uiterlijke ontwikkelingsfasen beschreven staan. Dat is de verandering die hij doormaakt als hij zijn idealisering van de stad Jerusalem overdraagt op de stad Rome. Als de kerkelijke overheid hem het verblijf in het Heilig Land ontzegt, komt de pelgrim Ignatius in een diepe crisis. Om geen enkele reden wilde Ignatius zich laten afbrengen van zijn doel, dat hij als een goddelijke roeping beschouwde, om als pelgrim in Jerusalem te blijven en “de zielen te helpen”, “tenzij (een) andere mening hem onder zonde zou verplichten” (Pelgrim 46). Het verbod dat een omzetting van zijn ideaal betekende, brengt de pelgrim in een existentiële crisis waar hij creatief een oplossing voor zoekt: “Sinds genoemde pelgrim had begrepen dat het Gods wil was dat hij niet in Jerusalem bleef, overdacht hij steeds maar bij zichzelf wat hij nu moest doen” (Pelgrim 50). Het einde van zijn bedevaartplannen maakte van de pelgrim en eenling Ignatius een student, die gelijkgezinden om zich heen verzamelt waaraan hij zijn geestelijk ideaal doorgeeft. De crisis in Jerusalem leerde hem om zich van een religieus gefixeerde levenswijze, waarin hij uitsluitend op God vertrouwde en leefde van het bedelen, tot een “gewoon leven” te bekeren. De afgewezen pelgrim geeft zijn rigoristische houding en praktijken op en wijdt zich verder aan de opgaven die op hem afkomen. De gedachte aan Jerusalem werd in de crisis fundamenteel veranderd en verbreed. Het doel van de pelgrim om een vroom leven te leiden in de heilige stad wordt overstraald door het nieuwe ideaal van een leven in dienst van Jezus ter ere van God. Waarbij de eer van God wordt afgemeten aan de concrete vruchtbare dienst aan de mensen. Ignatius komt van een religieus gefixeerd idee van een dwangmatig imiteren van Jezus tot een nieuwe, vrije vorm van navolging. In een open en aan de situatie aangepaste assimilatie van zijn geestelijk levensideaal kiest Ignatius in dit leerproces voor het leven in gemeenschap en apostolische dienst. De heilige stad Jerusalem wordt secundair. Hij is nu zo vrij en indifferent. Hij kan zijn doel nu ook onder veranderde omstandigheden in Rome bereiken.

Door het voortdurende onderzoek van zijn geweten en de steeds waakzamere onderscheiding van zijn motieven en de geesten die hem bewegen, komt Ignatius tot een steeds grotere innerlijke ruimte. De specifieke term voor deze minder dwangmatige opstelling is “zich onverschillig maken” (GO 23). Niet meer de letterlijke imitatie, maar de aan de situatie aangepaste interpretatie van Gods wil wordt voor hem het middel om zijn ideaal onder wisselende omstandigheden trouw te blijven. Deze bevrijdende dynamiek willen de Geestelijke Oefeningen doorgeven. Ze bieden daarvoor de nodige stappen in een leerproces. Daarbij mikken ze in hun pedagogiek niet op een letterlijke herhaling. Ze willen een stimulans zijn en een bemoediging om te komen tot een navolging in vrijheid, opdat Christus steeds meer nagevolgd kan worden.

                        uit: Korrespondenz zur Spiritualität der Exerzitien 108 (2016)
                                                                             vertaling: Hans van Leeuwen S.J.

De auteur  Stefan Kessler (*1959) trad in bij de jezuïeten na geschiedenis en theologie te hebben gestudeerd. Hij is werkzaam in het jeugdwerk, de vorming en in de wetenschap. Hij doceert aan het interdiocesaan priesterseminarie Sankt Georgen in Frankfurt am Main. Als speciale interessegebieden noemt hij: patristiek, pedagogiek en “ignatiana”. 

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel