Sprakeloos – Ervaring van Gods liefde bij agressieve hersenkanker

Sprakeloos - Ervaring van Gods liefde bij agressieve hersenkanker

door Paul L. Younger

door Paul L. Younger

Een kerkbetrokken familieman en technisch wetenschapper krijgt midden in het volle leven de diagnose agressieve kanker. Hij vertelt hoe hij daar als mens en als gelovige mee is omgegaan:  een ignatiaans getuigenis. 

Bij wijze van introductie – de jaarwisseling 2015-2016 was voor ons gezin een uitzonderlijk zegenrijke periode. Nadat wij vlak ervoor gevierd hadden dat onze drie zonen hun einddiploma behaald hadden en we ons verheugden over de succesvolle start hun carrière, waren we nu samengekomen om het eerste huwelijk van de volgende generatie van onze uitgebreide familie te vieren. Mijn vreugde was nog toegenomen door de verkoop van een firma die ik samen met anderen twintig jaar eerder had opgericht; hierdoor was niet alleen een grote last van mijn schouders genomen maar had ik ook alle familieschulden kunnen vereffenen.

Toch was er, ondanks al die goede redenen om opgewekt te zijn, iets dat me zorgen baarde: een sterke nadruk op lijden en dood in mijn dagelijkse lectio divina. Een gewoonte die ik had sinds ik – gedurende acht maanden (tot eind mei 2015) – de Geestelijke Oefeningen in het dagelijkse leven gedaan had. Voor mijn dagelijkse lectio neem ik de lezingen van het Romeins missaal en vul die aan met commentaren en andere boeken die het meest aansluiten bij mijn gevoelsmatige en intellectuele respons op de Schrift. Juist op het ogenblik dat ons gezin gelukkiger was dan zelden tevoren, gaven de aantekeningen in mijn geestelijk dagboek aan dat ik onophoudelijk worstelde met de zwaarste uitdagingen van het leven.

Op de ochtend van het huwelijk begon ik dit wat moe te worden. Ik sloot mijn dagboekaantekeningen op 30 januari 2016 af met de vraag: Heer, wat bent U aan het voorbereiden voor mij? Er kwam niet meteen een antwoord maar de meditaties over lijden en dood waar ik niet om gevraagd had, bleven komen in al hun hevigheid. Het ondubbelzinnige antwoord kwam plotseling, zes maanden later.

Expressieve dysfasie

Eind juni 2016 genoten Louise, mijn vrouw, en ik nog meer van ons geluk: zomervakantie, bezoek aan verschillende vrienden in Zuidwest-Engeland, Jersey en ten slotte Bretagne.  Onze gastheren waren medeparochianen uit Glasgow die ons al verschillenden keren hadden uitgenodigd om hen op te zoeken in hun gerestaureerde boerderij in de omgeving van Redon. Het welkom was warm als het zomerse weer. Ofschoon ik met Nieuwjaar 2016 het drinken van alcohol had opgegeven, maakte ik daarop een uitzondering door de lokale wijn te proeven, gevolgd door wat whisky als slaapmutsje. De volgende morgen stonden we laat en goedgeluimd op, zonder dat iets wees op gezondheidsperikelen. Louise en ik praatten wat zoals gewoonlijk en voegden ons vervolgens bij onze vrienden voor een ontbijt in de open lucht.

Het was toen ik probeerde te vragen waar de cornflakes waren dat ik ontdekte dat de geluiden die uit mijn mond kwamen, geen relatie hadden met wat ik wilde zeggen. Ze hadden geen enkele relatie met welke taal ook maar. Met groeiende paniek probeerde ik het opnieuw. Tevergeefs. Ik stapte naar de deur en wenkte in stilte Louise. Dit was geen gebruikelijke vorm van communicatie tussen ons. Met de grootste moeite slaagde ik erin langzaam te stotteren: “Wat … ik … denk … is … niet … wat … ik … wil … zeggen.” Wij vermoedden in stilte hetzelfde: ik had een beroerte.

Met onze vrienden aan het stuur waren we vlug in het hospitaal van Redon. Na een paar testen werd ik per ambulance doorgestuurd naar een groter hospitaal in Rennes op vijftig minuten rijden afstand. De verplichte rust bood me de gelegenheid mijn gebruikelijk gebed weer op te nemen: voortdurend bij het in en uitademen de naam Jesjoea (heb.: Jezus, red.) noemen. Ik bleef dit gebed herhalen toen ik languit lag in de donkere tunnels van grote scanners of achter gordijnen van kleedhokjes terwijl de artsen beraadslaagden. Deze eenzaamheid was een welkome pauze bij het spreken want articuleren ging nog steeds moeilijk, met van tijd tot tijd gestamel en versprekingen.

Na een paar uur gaf de neurologe haar oordeel. De inhoud herinnerde mij aan die oude, weinig smakelijke grap – “Er is goed nieuws en er is slecht nieuws.” Het was geen beroerte, het was een hersentumor. Ik kreeg te horen dat hoewel de tumor zich niet bevond in een operatief gedeelte, hij dicht tegen “het centrum van Wernicke” aanlag, het deel van de hersenen dat de spraak beheert. De expressieve dysfasie die ik die morgen had meegemaakt was te wijten aan de druk van de tumor.

Waarom de dysfasie juist toen optrad kon niet eenduidig verklaard worden, maar de artsen vonden het plausibel dat de plotselinge consumptie van alcohol na zeven maanden onthouding, de irritatie van de tumor had kunnen veroorzaken en zo zijn aanwezigheid verraden had. Was mijn lichaam gewend geraakt aan alcohol, dan had de tumor zich niet meteen kenbaar gemaakt. Blijkbaar sterven veel mensen aan dergelijke niet ontdekte tumoren. Hun enige symptoom is de beroerte die hen velt. Vooropgesteld dat mijn geheelonthouding het resultaat was van een formele onderscheiding die te maken had met de Geestelijke Oefeningen, dan denk ik dat het dankzij die goddelijke activiteit is dat mij en mijn familie een “onvoorziene dood” gespaard gebleven is.

Mijn aanvankelijke reactie bij het vernemen van de aanwezigheid van de tumor was die van verrassing. Terwijl ik het nieuws in mij opnam, werd ik mij bewust van een onverwacht gevoel: diepe kalmte. Enkele uren later kreeg ik medicatie toegediend tegen stuipen, als een voorzorg tegen de aanvallen die soms gepaard gaan met expressieve dysfasie. Ik werd teruggestuurd naar het hospitaal van Redon zodat mijn oorspronkelijke reactie tegen deze sterke medicatie ’s nachts kon worden opgevolgd. Terwijl het avondlicht terugweek, hield het gevoel van kalmte aan, nu en dan benadrukt door een gegiechel als ik de ironie van mijn situatie herkende en mij een of andere geestigheid over het brein herinnerde. Ik bleef de naam Jesjoea herhalen op het ritme van mijn in- en uit ademen tot ik in een diepe slaap viel.

’s Morgens werd ik ontslagen onder de strikte voorwaarde dat ik onmiddellijk naar huis zou gaan en mij bij het ziekenhuis zou melden. Louise kon vluchten regelen voor de volgende dag. Haar steun tijdens de vlucht werd zo goed als letterlijk omdat de medicatie tegen stuipen volop begon te werken. Het was een slaapwandelende echtgenoot die ze naar huis moest begeleiden. De personeel van de NHS (National Health Service – het nationale ziekenfonds, red.) in Glasgow nam mij binnen de kortste tijd op. Terwijl zij zes uur lang grondig medisch onderzoek verrichtten, kwamen familieleden aan om ons te ondersteunen.

Een hobbelige retraite

De volgende turbulente maand ontvouwde zich als een onvoorziene “retraite” waarbij  vele lessen waarmee ik in theorie kennis gemaakt had tijdens de Geestelijke Oefeningen nu realiteit werden. Deze “retraite” draaide rond medische imperatieven, met schommelingen tussen korte periodes van intense activiteit (gesofisticeerde hersenscans, chirurgie, cruciale klinische afspraken) en langere periodes van passiviteit (wachten op belangrijke uitslagen via de telefoon en tijdens consulten, plotselinge veranderingen in leefstijl en verwerking van angst). Tijdens die periode onderging ik de diepste en de duurzaamste reeks van geestelijke ervaringen die ik ooit meemaakte.

Zoals in elke retraite trok ik me ook in deze weken tijdelijk terug uit mijn sociale kring, niet het minst uit mijn parochie. De retraite was ongetwijfeld “hobbelig”, zowel door de manier waarop ze plots begon als door haar uitnodiging de Heer te ontmoeten niet op de liefelijke, stille en bescheiden toonaard waarop ik hem vroeger had ontmoet in individueel begeleide stille retraites, maar in een maalstroom van “aardbevingen, storm en vuur” (1 Kon 19,11-13). In de plaats van een enkele retraitebegeleider, bracht de Heer een grote cohorte van familieleden, vrienden en professionelen samen om mij door dat proces heen te helpen.

Wij beseften nu dat de tumor niet helemaal geopereerd kon worden en dat een operatie kon uitlopen in een permanente aantasting van mijn spraak of van het gebruik van mijn ledematen. Hoe dan ook, omdat de tumor werd ontdekt in de piekperiode van de vakantie moesten wij wat wachten op een definitieve diagnose van een neurochirurg. Terwijl de klok tikte, begon mijn oorspronkelijke kalmte af te brokkelen om plaats te maken voor een vage angst. Een van de lezingen op het feest van Ignatius van Loyola op 31 juli, trof mij: “Maar alles in allen is Christus.” (Kol 3,11)

Dit is inderdaad fundamenteel in de Geestelijke Oefeningen van Ignatius. Als je er in tijden van voorspoed over nadenkt dan lijkt dit waar en vanzelfsprekend. Maar hoe zit dat hier en nu? Toen ik reageerde op die tekst klonk mijn gebed: “Heer toon U aan mij in mijn angst en vrees. Waar zijt Gij in mijn tumor?” Terwijl ik daarmee worstelde, werd mijn voornaamste gebed psalm 69:  “Red mij, God, ik sta tot mij nek in het water. Steeds dieper weggezakt in het slijk.”

Bij het dagelijks bidden van deze psalm voelde ik mij soms onoprecht wanneer ik beloofde “Uw naam te prijzen” en de Heer “dankend te verheerlijken”. Ik voelde weinig echte neiging om de Heer juist dan te prijzen. Ik voelde mij ook wat beschaamd: waarom geef ik toe aan vrees als ik denk aan de talloze zegeningen die ik de voorbije vijftig jaar mocht ontvangen? Waarom bleef ik weerstand bieden tegen de oproepen van de Heer in voor- of tegenspoed? Dan herinnerde ik mij de angst van de Heer in Getsemane en voelde ik mij minder beschaamd. Troost ervaarde ik ook bij het lezen van de volgende woorden uit de autobiografie van de Nicaraguaan Fernando Cardenal: “Iedereen is de eigenaar van zijn eigen vrees …”

Ik overwoog wat “eigenaar van mijn vrees” kon betekenen. Op dit ogenblik betekende het de Heer de genade van moed te vragen om mij met die vrees te confronteren. Ik deed geen poging de realiteit van mijn vrees te negeren of mij dapper te tonen. Ik ging er vierkant tegenaan en bekende voor de Heer mijn behoefte aan kracht om die vrees te doen verdwijnen. De volgende morgen kreeg ik een krachtige bevestiging  van dat voornemen. Het evangelie van de dag vertelde hoe Petrus naar Jezus riep om hulp en dat in dezelfde woorden als Psalm 69. Hij kreeg meteen een antwoord: “Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang” (Mt 14,27).

Ik had veertien dagen om te bidden om moed tot ik eindelijk een gesprek had met de neurochirurg die het best geplaatst was om mijn tumor te behandelen. Tot mijn opluchting sprak hij zijn vertrouwen uit dat men zou kunnen opereren. Maar om het risico van permanente hersenschade te ontlopen vroeg hij mij te overwegen in te stemmen met een “craniotomie in wakende toestand”. De patiënt is wakker en is  voortdurend in gesprek met een taaltherapeut terwijl de tumor verwijderd wordt. Ik ging meteen akkoord. De neurochirurg was een beetje verrast omdat men meestal  veel tijd nodig heeft om patiënten te overtuigen in te stemmen met die behandeling.

Mijn gebed om moed was onderbouwd door mijn wetenschappelijke opleiding. Ik wist dat er in de hersenen geen pijnsensoren aanwezig zijn, zodat vanaf het moment dat de schedel onder verdoving was de uitsnijding van de tumor geen pijn meer kon doen. Maar toch, zelfs wanneer mensen dat weten, raken ze vaak in paniek als ze wakker worden in de operatiekamer. Dan moeten ze opnieuw in slaap gebracht worden en het vergrote risico van hersenbeschadiging vereist dat de neurochirurg uiterst voorzichtig moet zijn, met het risico dat hij iets van de tumor achterlaat. Ik  was er gerust op dat ik kalm zou blijven en zo werd alles geregeld als afgesproken.

Ik had een weekend om mij voor te bereiden en ik ontving een krachtige zegening om mijn moed en kalmte te verdiepen. Hoewel ik twee weken eerder een afspraak had gemaakt voor het sacrament van de verzoening, had een vergissing deze afspraak met mijn biechtvader in de war gestuurd. Op de dag zelf dat ik mij moest melden in het ziekenhuis kreeg ik onverwacht bezoek van pater Fernando, een vriend van een vriend, een jonge dominicaan die werkt in Nicaragua. We namen veertig minuten om het sacrament te vieren. Er ging hiervan een krachtige boodschap uit: erkennen dat leven met onzekerheid een belangrijke vorm van geestelijke armoede is en ook dat vrees en angst ingegeven door onzekerheid verdwijnen door de gave van vertrouwen. Dus moest ik voortgaan met bidden om vertrouwen, dat dicht staat bij moed en geduld. Om mijn vertrouwen in de Heer te voeden stelde Fernando voor dat ik mij zou inbeelden een baby te zijn in de armen van mijn moeder: kwetsbaar maar door en door geliefd en nooit bang te worden verlaten. Dat beeld bleef me weken bij.

In die tijd werd ik ook gedragen door een vloed van gebeden, liefde en zorg. Heel treffend was de respons van de parochie waarin ik begon te groeien als gevormde christen en waar ik woonde tijdens mijn schooljaren. Die parochiegemeenschap organiseerde een gebedswake van 24 uur toen ze het nieuws vernamen over mijn tumor. Ze deden dat nog eens vijf dagen later toen ze hoorden dat dit de dag van de operatie was. In die periode ontving ik misschien wel meer misintenties dan de paus. Het was verbazend hoe de aanwezigheid van God zich steeds vaker liet zien: ik ontving gebeden van overal in de wereld naarmate zich het nieuws van persoon tot persoon verspreidde bij hen die mij kenden maar elkaar tevoren niet kenden. Een vroegere collega die heel zijn leven had verlangd op bedevaart te gaan naar Mekka, hoorde over mijn toestand en schreef mij dat hij zijn bedevaart opdroeg voor mijn genezing.

Intussen leverde mijn geestelijke lezing van vroeger onbekende schrijvers een oogst op van gepaste raadgevingen. De geschriften van een achttiende-eeuwse jezuïet en geestelijke begeleider, Jean-Pierre de Caussade, spraken indringend en overtuigend tot mij:

Hun (van de zielen) bestemming brengt hen in tal van moeilijkheden waaruit het menselijke beraad geen uitweg ziet of vermoedt en zo, in verwarring, zijn eigen zwakheid en grenzen ervaart. Welnu, de goddelijke bestemming leidt (juist dan) haar personages met veel bewonderenswaardiger vakkennis en op een heel wat gelukkiger manier door levensgevaar en hachelijke situaties. Ze verheft de zielen hemelhoog.

Hier begon ik dichter te komen bij waar het om draaide tijdens deze “hobbelige retraite”: nederigheid leren uit het feit dat mij plotseling de illusie ontnomen is de controle te hebben over mijn leven. Die illusie was ontstaan uit een soort recht dat ik meende te hebben op de gratuite zegeningen die ik altijd ontvangen had. In mijn zwakheid en eindigheid kon ik duidelijk zien dat de enige weg door dodelijk gevaar heen is te vertrouwen op de Heer. Ik liet mezelf terugvallen in de moederlijke omarming van God. Ik had niets meer te doen dan me te laten gaan.

Met de steun van al die liefde, van gebed en wijsheid ging ik naar de operatie met hetzelfde gevoel van kalmte dat ik voor het eerst had ervaren kort nadat de tumor was ontdekt. Toen ik vroeg in de morgen van de operatie ontwaakte, wachtten deze woorden van Paulus uit de lezing van de dag op mij:

Wij voelen ons verplicht God telkens opnieuw voor u te danken. En niet zonder reden: uw geloof groeit krachtig, steeds groter wordt onder u de liefde van allen voor allen. Wij roemen dan ook over u in de gemeente van God, omdat uw geloof standhoudt onder al de vervolgingen en verdrukkingen die gij moet verduren: een bewijs dat Gods rechtvaardig oordeel u zijn koninkrijk, waarvoor ge nu lijdt, zal waardig keuren. (… ) Dan zal de naam van onze Heer Jezus in u verheerlijkt worden – en gij in Hem – door de genade van onze God en de Heer Jezus Christus. (2 Tes 1,3-5,12)

Al vertrok ik van een laag niveau, toch kon ik duidelijk groei ervaren in geloof en liefde, terwijl ik de genade van moed, kalmte en vertrouwen ontving waarvoor ik bad.

Wat de operatie betreft, die was heel succesvol. Slechts op één moment begon mijn spraak te verslechteren, maar dat was vlak nadat de verwijdering op de betroffen plek plaatsgevonden had. Na plaatselijke verdoving van de afgebonden neuronen (niet wegens de pijn – die was er niet –, maar om te verhinderen dat ze verwarring zouden stichten) herstelde mijn spraak zich volledig en de uren van dialoog gingen voort zonder enig incident. Ik bleef goed geluimd en was tenslotte blij dat al het identificeerbare materiaal van de tumor weggesneden was. Ik bleef de hele tijd wakker toen ze me naar de kamer brachten en ook tijdens een vreugdevol weerzien met de familie.

Hoewel de neurochirurg heel tevreden was met de operatie, bereidde hij me toch voor op nazorg met radio- en/of chemotherapie omdat chirurgie niet elke kankercel kan verwijderen. De taaltherapeut zei me niet ongerust te zijn als mijn spraak minder goed zou worden alvorens te verbeteren. En inderdaad, gedurende vele dagen was ik niet in staat te lezen of te schrijven. In het begin was mijn taal beperkt tot woorden van een of twee lettergrepen. Het duurde maanden voor ik meester werd over meerlettergrepige woorden. Lachwekkende versprekingen kwamen vaak voor. Vreemd genoeg bleven de twee talen die ik als volwassene had geleerd onaangetast. Algemeen gesproken verliep de revalidatie snel. Wij genoten van een blije periode met veel gelach, optimisme en innige dankgebeden.

GBM: God is Barmhartig en vol Mededogen

Tien dagen na de operatie moesten we opnieuw naar het ziekenhuis om de formele “diagnose” te vernemen op grond van de labobeschrijving van de cellen van de verwijderde tumor. Het type kanker dat zij vonden (glioblastoma multiforme GBM) heeft “graad 4” – de meest agressieve categorie – en zou daarom wel eens kunnen terugkeren. GBM wordt beschouwd als ongeneeslijk en terminaal. Dit nieuws werd ons snel en zonder empathie meegedeeld door een jonge dokter die blijkbaar afwezig was in de les over hoe je slecht nieuws brengt.

Toen ik de dokter vroeg wat meer uitleg te geven over mijn vooruitzichten, maakte hij de klassieke fout mijn levensverwachting gelijk te stellen met de mediaan van de frequentiedistributie van de levensduur na diagnose bij alle sterfgevallen – die voor deze situatie vijftien maanden is. Als wetenschapper kon ik vlug de tekorten van deze ruwe schatting doorzien. Bijvoorbeeld, aangezien de verdeling van de frequentie iedereen insluit die gestorven is aan een GBM-tumor, omvat deze zowel degenen die een tumor hadden die niet te opereren was, als hen van wie de operatie niet geslaagd was en ook degenen die te oud waren om radio- of chemotherapie te krijgen. En dus, ondanks dat de mediaan van de verzameling op een erg korte levensverwachting wijst, hebben sommige patiënten toch nog een lange levensverwachting. Zo waren er al heel wat redenen om te hopen dat mijn levensduur eerder in jaren geteld kon worden dan in maanden. Maar voor Louise die geen wetenschappelijke opleiding had gehad, was het gewoon verschrikkelijk zomaar geconfronteerd te worden met deze koude statistieken.

Onze zonen wachtten gespannen op het resultaat van het gesprek. Wij hadden nu de heel pijnlijke plicht dit nieuws aan ieder van hen persoonlijk te brengen. Na hen verteld te hebben wat de dokter gezegd had, voegde ik er meteen aan toe dat ik geen statisticus was. Statistieken beschrijven het verleden; ze bepalen niet ons lot. In contrast hiermee ben ik een levend wezen, bemind door God en langs alle kanten omgeven door liefde en gebed. Het resultaat ligt uiteindelijk in Gods handen.

Hoop, geduld, volharding, vertrouwen

Men schreef mij een behandelingstraject voor, te beginnen met een periode van zes weken radio- en chemotherapie, niet als genezingskuur maar om de levensverwachting en de levenskwaliteit te verhogen. Toen ik daaraan begon, stuitte ik in mijn gebed op een dilemma: hoe behoor ik te bidden (Rom 8,26)? Na van een gezegend huwelijk genoten te hebben en mijn lieve gezin te hebben mogen onderhouden, vond ik het pervers te vernemen dat ik weldra deze roeping moest opgeven. Bidden om genezing leek juist te zijn. Maar, uitgaande van het feit dat GBM niet te genezen is, is het dan nog zinvol te bidden om genezing? Wel, er zijn gevallen van remissie van GBM-tumoren na operatie en behandeling. Deze remissie wordt gewoonlijk toegeschreven aan een soort herontwaken van het aangetaste immuunsysteem dat de tumor aanvankelijk toestond te groeien. Bidden om genezing was dus niet onredelijk. Meer nog, er is in de evangelies geen enkel voorbeeld te vinden waarbij Jezus genezing verbiedt en gewoon aanbeveelt dat lijdende mensen berusting beoefenen. Jezus verwacht dat wij naar genezing verlangen en Hij wil ons genezen.

Het was ongeveer halverwege een periode van intense radio- en chemotherapie, dat ik tijdens mijn gebed de oplossing vond van het opgemerkte dilemma. Ofschoon het natuurlijk waar is dat ik God niet kan voorschrijven welke zegeningen Hij mij wenst te geven, is het niet alleen legitiem maar zelfs mijn verantwoordelijkheid te vragen dat ik in staat mag blijven mijn roeping voort te zetten voor mijn familie, mijn gemeenschap en de maatschappij. Maar ik moet wel aanvaarden dat ik niet mijn eigen pad kan kiezen (Joh 21,18).

Afgezien van, om te beginnen, de diagnose van een GBM-tumor, verliep elk aspect van de behandeling voorspoedig. Enkele dagen na mijn diagnose werd ik voorgesteld aan een man wiens GBM-tumor op het moment van de operatie meer dan twee keer zo groot was als die van mij; toch stelde hij het na veertien jaar uitstekend. Hij gaf mij onschatbare raad over de actieve stappen die ik kan zetten om samen te werken met de medische genezing; zoals het volgen van een vegetarisch dieet in combinatie met weinig suiker en van een dagelijks ritme met veel beweging, rustmomenten en meditatie.

Intussen bleek mijn lichaam goed bestand tegen de hoogste dosissen bestralingen en chemotherapie en men is er zeker van dat dit wijst op een langere te verwachten levensduur. Het was heel verleidelijk te veel van hieruit te extrapoleren. Betekende het dat de Heer een definitief antwoord had gegeven op mijn gebed om genezing? Maar misschien vraagt God van mij het getuigenis van deze dagen: leven in het nu, alleen rekenen op Gods liefde die mij geschonken werd door wie mij omringden. God beloofde niemand een liefelijk leven, zonder harde tijden, maar God heeft wel beloofd dat wij uiteindelijk niet verslagen zullen worden. Intussen ontving ik mijn huidige lijfspreuk-gebed: “Laat de hoop u blij maken, houd stand in de verdrukking, volhard in het gebed” (Rom 12,12).

Hoewel mijn spraak zo goed als hersteld is, blijf ik toch “sprakeloos” maar dan in een andere betekenis (zoals de jezuïet Alfred Delp het beschreef enkele weken voor zijn executie door de nazi’s, red.):

Het tot stand brengen van grote dingen, van vele echte mirakels hangt alleen af van ons vertrouwen op Gods grote vrijgevigheid. Hij zal niet altijd een spectaculair mirakel doen, ofschoon  er soms krachtvertoon zal zijn. Maar, Hij kan en wil, met goddelijke heerschappij, de duizend kleine dingen van de binnenwereldse causaliteit en van de logica zo schikken, dat aan het einde zijn wil geschiedt. Ieder die dat vertrouwen bezit is zeker van het resultaat: hij zal de middelen overlaten aan de Heer God. En ieder wiens zelfbeschikking op die manier is overwonnen door de Heer, staat er sprakeloos bij en verwonderd …

uit: The Way, juli 2017
vertaling: Hugo Roeffaers S.J.

De auteur bekleedde de Rankine leerstoel in ingenieurswetenschappen aan de Universiteit van Glasgow. Duurzame ontwikkeling had zijn speciale belangstelling en hij werkte in Ethiopië aan systemen voor hernieuwbare energie. Eerder zette hij wereldwijd, samen met lokale gemeenschappen, projecten op voor watervoorziening en bestrijding van vervuiling.  Hij overleed in april 2018. 

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel