Ignatius in Manresa en zijn ervaring met ongeordende gehechtheden

Ignatius in Manresa en zijn ervaring met ongeordende gehechtheden

door Thomas Gertler SJ

door Thomas Gertler SJ

“Ongeordende gehechtheden”, je komt ze tegen in de Geestelijke Oefeningen, maar wat zijn het?  De ervaringen van Ignatius kunnen dit verduidelijken, maar ook ignatiaanse begrippen als: vrijheid, middel of doel?, agere contra, …  

Bij wijze van inleiding wil ik een paar opmerkingen maken bij de ervaringen van Ignatius met zijn eigen ongeordende neigingen tijdens zijn verblijf in Manresa. Men kan de indruk krijgen dat het overwinnen van deze neigingen het eerste is waar het in de Geestelijke Oefeningen om gaat. In nummer 1 staat immers: “Zoals wandelen, op tocht gaan en hardlopen lichamelijke oefeningen zijn, zo noemt men geestelijke oefeningen elke manier waarop men de ziel voorbereidt en klaarmaakt om zich van elke ongeordende gehechtheid te ontdoen, en om dan te zoeken en te vinden wat Gods wil is bij de inrichting van zijn leven tot heil van zijn ziel” (GO 1). In dezelfde trant en zelfs nog wat eenzijdiger luidt in nummer 21 het opschrift van het geheel van de Oefeningen: “Geestelijke Oefeningen om zichzelf te overwinnen en zijn leven te ordenen zonder zich te laten leiden door een ongeordende gehechtheid” (GO 21). Daar is zelfs van de wil van God geen sprake.

Het “allereerste” in de Oefeningen kan betekenen, zoals Ignatius schrijft, op de eerste plaats de ongeordende gehechtheden overwinnen en dan Gods wil zoeken, leren kennen en volbrengen. Dat zou dan “allereerst” in tijdelijke zin betekenen. Eerst je van die gehechtheden bevrijden en dan als een vrije mens de wil van God zoeken en vinden. En dan is het tweede belangrijker dan het eerste. Want het gaat er om de wil van God voor zijn leven te leren kennen en te doen.

 Maar het kan ook zo zijn dat feitelijk dit vrij zijn en vrij worden principieel en niet alleen maar tijdelijk de eerste plaats inneemt; dat het voor mij het allerbelangrijkste is mij van de last van het ongeordende te ontdoen en vrij te worden. Dat het eigenlijk niet allereerst om God en zijn wil gaat, maar om mij: dat ik mijn wil kan doorzetten tegen het ongeordende in. Kortom, dat ik de voortdurende verleiding door deze ongeordende gehechtheden en neigingen kwijt raak.

Mijn indruk is dat dit bij Ignatius in de eerste fase van zijn verblijf in Manresa het geval was. Hij heeft met volledige inzet gevochten tegen zijn neigingen. Hij heeft het tegendeel gedaan van alles wat hij tot nu toe gedaan had. Hij heeft bijvoorbeeld niet meer zijn haren en zijn nagels verzorgd, terwijl hij dat vroeger op een overdreven en ongeordende manier had gedaan (Verhaal van de Pelgrim 19). Hij heeft streng gevast. En voor de strijder en soldaat Ignatius was het adagium: “agere contra”. Om vrij te worden het tegendeel doen. Maar zo bleef hij juist in feite verbonden met hoe hij vroeger was en bleef hij er ook afhankelijk van. Daardoor werd hij niet werkelijk vrij. Hij wilde nog steeds de eerste en de beste zijn. Maar nu in de ascese.

Wanneer hem een bepaalde boetedoening te binnen schoot die de heiligen verricht hadden, dan nam hij zich voor hetzelfde te presteren en zelfs meer. In die gedachte lag heel zijn troost en hij lette helemaal niet op iets innerlijks. Wat nederigheid was wist hij niet, noch wat liefde was of geduld, evenmin wat onderscheiding was waarvan deze deugden regel en maat kregen. Zijn bedoeling was enkel die grote uiterlijke werken te presteren, omdat de heiligen ze voor de eer van God net zo gedaan hadden. (Pelgrim 14).

Zo kwam hij in het vervolg van zijn eerzuchtig gevecht terecht in gewetensangsten, die hem tot op de rand van zelfmoord brachten (Pelgrim 24) en hij moest in zichzelf ervaren dat hij niet in staat was om met eigen wilskracht de vrijheid af te dwingen door biechten, vasten, boetedoeningen en lange gebedstijden (Pelgrim 22-24).

Een voorbeeld uit de geestelijke begeleiding kan dit verduidelijken. Een jonge vrouw wil voor geen prijs worden als haar moeder, ze wil niet zijn zoals zij haar moeder beleefd heeft. Haar moeder was een vrouw die hard en streng was, omdat zij haar drie kinderen alleen moest grootbrengen. Een vrouw die haar wil door moest zetten en sterk moest zijn, en dat ook wilde. Nee, zo wilde de dochter niet zijn en worden. In ieder geval niet zo! Daarbij zag de dochter helemaal niet dat zij zelf ook zo’n kant in zich had, sterk en in staat om haar wil door te zetten. Zij kon net zo zijn als haar moeder en was dat ook van tijd tot tijd. Maar dat wees zij absoluut van de hand en ging daar tegenin. Voor mij is dat het “agere contra” van de eerste fase van Ignatius in Manresa, voor zijn bevrijding van de gewetensangsten. De dochter bleef negatief afhankelijk van haar moeder. Ignatius bleef de negatieve gevangene van zijn eerzucht en ijdelheid, doordat hij eenvoudig geen aandacht had voor zijn gezondheid en zijn lichamelijke verzorging en doordat hij met al zijn energie zichzelf wilde overwinnen. Veel later ontmoette ik de jonge vrouw opnieuw. Het proces tussen haar en haar moeder was doorgegaan. Zij had zich innerlijk verzoend en was nu werkelijk vrij geworden. Zij vertelde ongeveer: Ja, ik kan net zo zijn als mijn moeder, net zo hard en in staat om mijn wil door te zetten, als ik in mijn beroep zo moet zijn. En dat is dan ook goed. Maar ik moet niet per se zo zijn. Ik mag ook de andere zachte en gevoelige kanten van mijzelf toelaten.

Zo vertelt ook Ignatius, nadat hij niet door zijn eigen wilspogingen en door een gewelddadig “agere contra” maar door Gods genade en barmhartigheid van zijn gewetensangsten bevrijd was. (Pelgrim 25: “Hij beschouwde het als zeker dat onze Heer hem in zijn barmhartigheid had willen bevrijden.”) Nu schrijft hij: “Toen hij in hetzelfde Manresa waar hij bijna een jaar bleef, door God vertroost begon te worden en de vrucht zag die hij door zijn omgang met de mensen in hun zielen bewerkte, liet hij zijn extreme gedrag van daarvoor achterwege. Zijn nagels en zijn haren knipte hij weer” (Pelgrim 29). Hij zag wat hij met zijn extreem gedrag bereikt had: hij had zijn gezondheid geruïneerd en had zijn verdere leven maag- en darmklachten.

Vanaf dat moment zocht hij meer het midden, waar hij vrijheid en waarheid vond. Het “agere contra” wordt nu een middel, niet om het tegendeel te bereiken maar het midden, de vrijheid en de verzoende vrede. De volgende opmerkingen van Ignatius over de gewetensangsten kunnen gelezen worden als een commentaar bij zijn eigen ervaringen en in zekere zin zijn ze dat ook:

Vierde opmerking. de vijand bekijkt nauwkeurig of een ziel grof is of verfijnd. Is zij verfijnd, dan probeert hij haar tot het uiterste te verfijnen met de bedoeling haar meer te verwarren en te vertroebelen. Hij ziet bijvoorbeeld dat een ziel geen doodzonde in zich toelaat noch een dagelijkse zonde noch enige schijn van vrijwillige zonde. Welnu, wanneer de vijand haar niet kan doen vallen in iets wat zonde schijnt, probeert hij haar tot de mening te brengen dat er zonde is waar geen zonde is, zoals in een woord of gedachte van geen betekenis.

Is de ziel grof, dan probeert de vijand haar nog grover te maken. Gaf zij bijvoorbeeld voorheen niet om dagelijkse zonden, dan zal hij proberen te bereiken dat zij nu om doodzonden weinig geeft. Gaf zij voorheen wel iets om dagelijkse zonden, dan zal hij proberen te bereiken dat zij er nu veel minder of helemaal niets meer om geeft.

Vijfde opmerking. De ziel die in het geestelijk leven verlangt vooruit te gaan, moet altijd te werk gaan op een wijze die tegenovergesteld is aan die van de vijand. Als de vijand de ziel grover wil maken, dan moet zij proberen zich te verfijnen. Zo ook als de vijand probeert haar te verfijnen met de bedoeling haar tot het uiterste te brengen, dan moet de ziel proberen zich stevig in het midden te houden om in alles rust te vinden. (GO 349-350)

Daar komt het nu op aan: “zich stevig in het midden houden, om in alles rust te vinden.” Dat is de weg die Ignatius verder gaat. Hij bemerkt de ongeordende neigingen, maar laat zich er niet meer door bepalen (en ook niet door hun tegendeel). Hij is vrij geworden, om de wil van God te zoeken en te vinden. En dat gaat hem steeds gemakkelijker af en wordt hem steeds meer eigen. (Pelgrim 99)

 De ongeordende neigingen en het vrij daarvan zijn spelen zo een belangrijke rol bij de regels voor de keuze. (GO 149-157; 169-189) Vooral bij de keuze overeenkomstig Gods wil is het van belang zich bewust te zijn van zijn ongeordende neigingen en om daar vrij tegenover te staan, om Gods wil te vinden en te doen. Dat is voor Ignatius de eerste en belangrijkste zaak in de Geestelijke Oefeningen, namelijk “in al mijn bedoelingen, daden en geestelijke werkzaamheden zuiver gericht te zijn op de dienst en de lof van zijne goddelijke Majesteit” (GO 46). Zo wordt het verwoord in het gebed waarmee iedere oefening van het boek van de Geestelijke Oefeningen begint.

 

          uit: Korrespondenz zur Spiritualität der Exerzitien, 112 (2018)
vertaling: Hans van Leeuwen SJ

De auteur, de Duitse pater-jezuïet Thomas Gertler (*1948), was novicemeester in de voormalige DDR. Na de val van de muur werkte hij als docent aan hogere opleidingen. Sinds 2009 is hij kerkelijk assistent of aalmoezenier voor de Gemeenschappen van Christelijk Leven in Duitsland.
Het artikel is overgenomen uit het tijdschrift van de GCL-Duitsland.

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel