Hoe de jezuïetenorde bestuurd wordt

door Peter Knauer S.J.

door Peter Knauer S.J.

Het hoogste beslissingsorgaan in de Sociëteit van Jezus is de Algemene Congregatie. Zij bestaat uit de oversten van de afzonderlijke provincies en – afhankelijk van de grootte van de provincies – uit andere leden, gekozen in een vrije en geheime verkiezing. Zij komt evenwel slechts zelden bijeen, meestal alleen maar om de algemene overste te kiezen. Tijdens de meer dan vier-en-halve eeuw van het bestaan van de Sociëteit van Jezus hebben slechts 35 Algemene Congregaties plaatsgevonden, en daarvan slechts vijf niet naar aanleiding van de keuze van een algemene overste. Ignatius wilde de Sociëteit van Jezus zoveel mogelijk “moeite en afleiding” besparen, die verbonden zouden zijn met het dikwijls bijeenkomen van een dergelijk orgaan. Met “moeite” wordt het teveel aan tijd en kosten bedoeld, en met “afleiding” het feit dat de deelnemers aan een Algemene Congregatie onttrokken moeten worden aan hun normale werkzaamheden:

 “In de eerste plaats moet duidelijk gemaakt worden in welke gevallen de Congregatie en het Generaal Kapittel plaats moet vinden; daarbij wordt verondersteld dat het in de Heer bij de huidige stand van zaken niet nuttig lijkt dat zij op vaste tijden of vaak plaatsvindt. Want de generaal zal, dankzij de band die hij met de gehele Sociëteit heeft en de hulp van hen die bij hem wonen, de hele Sociëteit zoveel mogelijk deze moeite en afleiding besparen. Toch zal het af en toe noodzakelijk zijn dat men bijeenkomt, bijvoorbeeld voor de keuze van een generaal, of er nu iemand gekozen dient te worden omdat de generaal overleden is, of om een van de redenen waarom een generaal van zijn taken ontheven kan worden…” (Constituties, 677)

 Wat betreft principiële vragen van de Sociëteit heeft Ignatius overigens in een ander deel van de Constituties, namelijk dat over de studies, terloops ook de mogelijkheid voorzien van een schriftelijke stemming door de stemgerechtigen van een Algemene Congregatie, zonder dat daadwerkelijk een Algemene Congregatie moet worden bijeengeroepen (Constituties, 323). Maar bij mijn weten is daar nooit gebruik van gemaakt. Misschien omdat het niet in dat gedeelte van de Constituties wordt vermeld dat over de Algemene Congregatie gaat, en vandaar ook in de Sociëteit van Jezus nauwelijks bekend is.

De algemene overste, die door de Algemene Congregatie voor zijn leven wordt gekozen, heeft volmacht over alle leden van de Sociëteit. Van zijn kant is hij, wat zijn persoonlijke belangen betreft, ondergeschikt aan de Sociëteit, die haar volmacht over hem uitoefent door middel van vier assistenten, die hem door de Algemene Congregatie zijn toegewezen. Die volmacht betreft de volgende punten:

 “Het eerste punt betreft uitwendige zaken zoals kleding, voedsel en alle uitgaven die betrekking hebben op de persoon van de generaal. In deze zaken kan de Sociëteit vermeerderen of verminderen naargelang zij van oordeel is dat het voor de generaal en voor haarzelf passend is en tot meerdere dienst van God strekt. En de generaal moet zich daaraan houden.

Het tweede  punt betreft de zorg voor zijn lichaam, opdat hij in zijn werkzaamheden of door te grote gestrengheden niet overdrijft. Ook hierin moet de generaal zich laten matigen en zich houden aan het oordeel van de Sociëteit.

Het derde punt betreft zijn ziel, omdat zelfs bij volmaakte mensen soms de zorg daarvoor in verband met hun persoon of hun ambt noodzakelijk is. De Sociëteit moet er dus voor zorgen dat de algemene overste iemand naast zich heeft – hetzelfde kan ook gebeuren bij de lagere oversten – die de plicht heeft, nadat hij in gebed tot God genaderd is en, nadat hij de goddelijke Goedheid heeft geraadpleegd en tot het inzicht is gekomen dat het juist is om te doen, hem met de verschuldigde bescheidenheid en nederigheid te wijzen op hetgeen van hem tot grotere dienst en meerdere eer van God wordt gevraagd. Dit kan zijn biechtvader zijn, of iemand anders die door de Sociëteit wordt aangewezen en die hiervoor geschikt lijkt.” (Constituties, 768-770)

 De provinciaals zijn directe verantwoording verschuldigd aan de algemene overste en de huisoversten aan de provinciaals. De provinciaals worden benoemd door de generale overste en de huisoversten door de provinciaal, en in een paar gevallen (zoals de rectoren van colleges) door de algemene overste. Hun ambtsperiode omvat drie jaar en wordt gewoonlijk met drie jaar verlengd. De professen van de Sociëteit van Jezus verbinden zich door een gelofte om van zich uit geen hoger ambt of kerkelijke waardigheid na te streven en het ook niet toelaten dat anderen in de Sociëteit dit wél doen (vgl. Constituties, 817). Ignatius beschouwde in elke samenleving eerzucht als de moeder van alle kwalen.

De Algemene Congregatie beslist synodaal. Maar daarbuiten worden beslissingen hiërarchisch getroffen. Een hiërarchische beslissingsstructuur heeft – wel te verstaan – niets te maken met middeleeuws feodalisme of gebrek aan democratie. Het gaat om een beslissingsstructuur die voor beslissingen die onder tijdsdruk staan, het meest geschikt is. Omgekeerd is voor vragen waarbij men niet onder tijdsdruk staat, de synodale beslissingsstructuur het meest geschikt.

Wat met een hiërarchische beslissingsstructuur van doen heeft kan men zich als volgt voor ogen stellen. Wanneer bij een brand de brandweer komt, gaat men niet eerst om de ronde tafel zitten om te discussiëren over de vraag aan welke kant van het huis men het best begint met blussen. Veeleer ligt de competentie om te beslissen volledig bij de leider van de brandweerafdeling. Hij is de chef. Een hogere instantie zoals bijvoorbeeld de brandweercommandant van de hele stad zou ter plaatse een eventuele foute beslissing kunnen corrigeren.

Hoe dan ook, het gaat bij een hiërarchische beslissingsstrucuur niet om een zo groot mogelijke centralisatie. Juist omgekeerd, het gaat erom directe en ter zake doende beslissingen ter plaatse mogelijk te maken. In een reeks van regels over de gehoorzaamheid staat te lezen:

 “Ik mag niet daarop acht slaan of mijn overste de hoogste of  middelste of laagste is, maar hierop: dat ik al mijn aandacht op de gehoorzaamheid richt, omdat de overste op de plaats van God onze Heer staat. Want wanneer men daarin verschil maakt, gaat de kracht van de gehoorzaamheid verloren.” (Memoriale, 116,5)

 Tegen tendensen tot centralisering citeert Luis Gonçalves da Câmara in zijn Memoriale, na zijn inleiding, uit een brief van Ignatius van 17 december 1552 aan Diego Mirón, de nieuwe provinciaal van de Portugese provincie:

 “Op dezelfde manier wilde onze Vader dat de provinciaals in hun provincies over alle mogelijke vrijheid in hun beleid zouden beschikken, en dat zij die niet van hun afzonderlijke ondergeschikten, dus van de rectoren en overige plaatselijke oversten, zouden afnemen. Dat kan men goed opmaken uit een gedeelte van een brief die hij aan P. N. schreef, toen deze provinciaal in deze provincie was; het gaat om het volgende:

     ‘Ook is het niet de taak van de provinciaals of van de generaal zich tot in elk detail om allerlei aangelegenheden te bekommeren. Veeleer is het beter, zelfs wanneer hij daartoe alle mogelijke geschiktheid zou bezitten, anderen zich daarmee bezig te laten houden. Zij kunnen vervolgens de provinciaal berichten wat zij hebben gedaan. En wanneer hij hun opvattingen hoort, zal hij de beslissing nemen die hem toekomt. Wanneer het een zaak betreft die, zowel wat de behandeling als wat de beslissing betreft, aan anderen kan worden overgelaten, zal het veel beter zijn dat ook te doen, vooral in tijdelijke en zelfs in veel geestelijke aangelegenheden. Dat is van mijn kant mijn manier van doen. En daarin ondervind ik niet alleen hulp en verlichting, maar ook meer rust en zekerheid in mijn ziel.

Oefen daarom, zoals uw ambt dat vereist, liefde uit en richt uw gedachten op het algemeen welzijn van uw provincie. En wat de beslissing over de een of andere zaak betreft, luister naar degenen die dat volgens uw opvatting het beste aanvoelen.

Wat de uitvoering betreft, verstrik u daarin niet en belast u daarmee ook niet, maar zoals een universele beweger de afzonderlijke bewegers wendt en beweegt, zo zult u zich met meer en beter te verwezenlijken zaken bezighouden die uitdrukkelijker tot uw taak behoren, dan op een andere manier. En wanneer zij op een bepaald punt in de fout gaan, is dat een geringer nadeel dan wanneer u zelf een fout begaat. Het is betamelijker dat u rechtzet wat uw onderdanen fout hebben gedaan, dan dat dit voor hen of u het geval zou zijn als zij u verbeteren op het punt waar ú iets verkeerds hebt gedaan. Dat zou gemakkelijk gebeuren, wanneer u zich meer dan rechtmatig met details bemoeit.’ ” (Memoriale, 270)

 De term “subsidiariteitsprincipe” komt hier nog niet voor, maar wel in reeds gereflecteerde vorm de realiteit die daarmee bedoeld is. Beslissingen zijn zoveel mogelijk op dat niveau te treffen dat de werkelijkheid waarom het te doen is, het dichtst benadert. De desbetreffende hogere autoriteit zou telkens dan pas in actie moeten komen, wanneer men op een lager niveau problemen niet beter kan oplossen.

Gonçalves da Câmara wijst vooral daarop, dat een hogere overste die zich al te zeer mengt in plaatselijke beslissingen, zijn eigen taak niet meer naar behoren kan vervullen:

 “Deze constitutie van pater Ignatius berust ook hierop dat God onze Heer de directe en lagere overste in specifieke zaken die eigenlijk en direct tot zijn taak behoren, in het bijzonder bijstaat. Deze zaken willen inperken of met algemene regels willen ondervangen betekent hem het ambt van overste ontnemen en bijgevolg de medewerking van die bijzondere genade van God verhinderen, die voor dergelijke aangelegenheden meer dan ooit doeltreffend is, omdat ze zich op een aparte handelende persoon richt. Bovendien: hoe kan de generaal, die zo ver verwijderd is van een provincie, bijtijds op duizend afzonderlijke aangelegenheden ingaan die in die provincie voorkomen? En mocht hij daarop ingaan, hoe is het dan mogelijk dat hij op de hoogte is van de vele details, waarvan gewoonlijk de oplossing van de zaak afhangt? Hoe kan de provinciaal door wetten en algemene regels geleid worden, waar het toch zo gesteld is dat zich iedere dag zoveel en zo verschillende omstandigheden voordoen, die de aard van de aangelegenheden volledig veranderen?

Dat is de reden waarom onze vader Ignatius in de Constituties zich zo dikwijls neerlegt bij de opvatting van de overste. Want hij zag in dat men in morele kwesties geen algemene voorschriften kan geven. Ongetwijfeld heeft de ervaring getoond dat veel dingen van gewicht niet zijn uitgevoerd, omdat men een antwoord van zo ver weg verwachtte. Velen zouden een tegenovergestelde beslissing getroffen hebben, wanneer de algemene overste aanwezig was geweest. In veel zaken zal het leiden tot scrupules, twijfels en interpretaties, zij het ten opzichte van de blinde gehoorzaamheid, op grond van  uiteenlopende dingen en krachtens een algemeen voorschrift en regel. En het is niet verwonderlijk dat zich al deze nadelen voordoen. Want voor een goede leiding is het noodzakelijk dat er macht en kennis is. En op deze manier blijven beide volledig gescheiden. Want het is niet mogelijk dat de algemene overste die de macht heeft, ook de gedetailleerde en praktische kennis bezit die noodzakelijk is. En de directe overste, die de kennis bezit en de dingen bij de hand heeft, heeft geen macht om ze zelf uit te voeren.

Er zijn nog meer nadelen die men van de kant van de personen en de functies niet minder heeft te vrezen, zoals het feit dat het aanleiding kan geven tot een geringere gehoorzaamheid van het verstand aan de algemene overste. Want het zal vaak voorkomen dat de provinciaal aan de rector dingen oplegt die tegengesteld zijn aan wat deze met eigen ogen ziet, met name omdat de relatie die mensen van nature met dingen hebben die hen verboden worden en hen beperkingen opleggen, moeilijk te overwinnen is. Nalatigheid en onverschilligheid in het ten uitvoer brengen van dingen, zowel vanwege het geringe genoegen dat zij van nature erin scheppen, alsook omdat zij bij veel dingen de verontschuldiging om het niet te doen bij de hand hebben, met name dat zij geen verlof of opdracht van de provinciaal hadden enz.

Dat alles overwoog onze vader Ignatius zeer goed. Vandaar dat hij er altijd zoveel waarde aan hechtte de directe overste alle mogelijke vrijheid te laten. Wat niet uitsloot met betrekking tot bepaalde tijden, plaatsen en personen af en toe noodzakelijke beperkingen op te leggen, zij het evenwel niet door middel van algemene regels, die de vereiste subordinatie in de Sociëteit al te zeer in de weg staan. Want wanneer men de provinciaal beperkingen oplegt en hem ontneemt wat hem overeenkomstig zijn functie toekomt, springt hij op de functie van de rector, en om dezelfde reden de rector op die van de minister, en zo eveneens de overigen, waarbij het systeem van leiding dat de Heilige Geest onze gezegende Vader heeft ingegegeven, grotendeels wordt verstoord.”  (Memoriale, 271-272)

 Aan de oversten staat steeds een team van raadgevers ter beschikking. Maar de beslissing neemt de desbetreffende overste zelf. Want Ignatius wilde dat voor beslissingen steeds een concrete persoon verantwoordelijk zou zijn en daarvoor zou instaan. Niemand zal zich achter anonieme meerderheidsbeslissingen kunnen verstoppen.

Al in de beraadslaging van de eerste gezellen was als grondslag voor de benoeming van oversten vermeld:

 “Wanneer onze Sociëteit zonder het zachte juk van de gehoorzaamheid de verantwoordelijkheid had voor welke praktische zaken dan ook, dan zou niemand de juiste verantwoordelijkheid hebben, omdat de een de last op de ander zou afschuiven, zoals we meerdere keren hebben meegemaakt.” (Beraadslaging, 7,8)

 De functie van de generaal wordt in de Constituties met de volgende overweging gefundeerd:

 “In alle staten of goed geordende gemeenschappen is het noodzakelijk dat er, naast hen die belast zijn met de zorg voor bepaalde sectoren, een of meer mensen zijn die het welzijn van het geheel behartigen en voor wie dit de eigen opdracht is. Zo is het ook in deze Sociëteit noodzakelijk dat er, naast hen die de leiding hebben over de afzonderlijke huizen of colleges en over de provincies waarin die huizen of colleges gelegen zijn, iemand is die zorg draagt voor de gehele Sociëteit. Hij moet zich ten doel stellen dat het gehele lichaam van de Sociëteit goed wordt bestuurd, in stand wordt gehouden en groeit. Die persoon is de algemene overste.” (Constituties, 719)

 Daaraan beantwoordt ook een grondbeginsel van de orde, dat voor alle belangen die de gemeenschap betreffen, niet alleen allen tezamen, maar altijd ook iemand persoonlijk verantwoordelijk moet zijn. Daarop is niet alleen de functie van overste, maar zijn ook de verschillende  functies binnen een huis gefundeerd.

Hoewel de desbetreffende overste uitdrukkelijk niet gebonden is aan de mening van de meerderheid van zijn raadgevers, wilde Ignatius toch dat hij met de hogere overste zou overleggen [conferir], wanneer zijn beslissing in zou gaan tegen de unanieme mening van zijn raadgevers (Constituties, 503). In deze formulering zou kunnen opvallen dat Ignatius blijkbaar tóch de beslissing aan hem overlaat, zolang de hogere overste geen veto uitspreekt.

In de Sociëteit van Jezus is de overste in ieder geval niet bedoeld als eenzame heerser, die zich om geen enkele opmerking zou hoeven te bekommeren. Op alle niveaus staat het bij de manier van werken in de Sociëteit van Jezus voorop te proberen de problemen die men met elkaar heeft onderling te bespreken. Het is Ignatius eraan gelegen dat de medebroeders ook met elkaar in gesprek blijven en bereid zijn zich door de anderen aanwijzingen te laten geven. Zo heeft hij begin 1546 aan enige medebroeders die als adviseurs aan het Concilie van Trente deelnamen, in een brief als regel voor hun werkwijze geschreven:

 “Wij zullen ’s avonds met elkaar een uur eraan besteden, om elkaar mee te delen wat die dag gedaan is en wat voor de volgende dag als doel wordt gesteld.

Over de achterliggende of komende zaken zullen wij door stemming of op andere wijze tot overeenstemming komen.

Iedere avond zal een van ons alle anderen verzoeken hem in alles wat hun goeddunkt terecht te wijzen. Degene die aldus terechtgewezen wordt, zal geen antwoord geven, tenzij men hem opdraagt zich over de aangelegenheid te verantwoorden.

De tweede doet hetzelfde op een volgende avond, en zo ieder op zijn beurt, opdat allen elkaar bijstaan tot vermeerdering van de liefde en tot een welriekende geur voor allen.”

 Dagelijks een vol uur voor onderlinge uitwisseling beschouwde Ignatius blijkbaar niet als tijdverlies, maar eerder als tijdwinst ten dienste van een doeltreffender werkzaamheid.

Het behoort tot de taken van de overste er zorg voor te dragen “dat de Constituties in alles nageleefd worden”. Anderzijds behoort het ook uitdrukkelijk tot zijn ambt daarvan te dispenseren, “indien hij van oordeel is dat hij daarmee de bedoeling volgt van degene die de Constituties heeft samengesteld, in overeenstemming met de omstandigheden en noodwendigheden, en met het oog op het groter algemeen welzijn” (Constituties, 425). De Constituties zijn toch al minder een wetboek dan een richtlijn, die aangeeft welke gezichtspunten men op de verschillende gebieden waarop beslissingen genomen dienen te worden, telkens weer zou moeten overdenken. In plaats van het zomaar in acht nemen van een regel, die immers af en toe ook kan ingaan tegen de betekenis ervan, is bij Ignatius eerder sprake van ruggespraak met de overste. In de Sociëteit van Jezus kunnen noch de overste noch de ondergeschikten zich zodanig beroepen op regels dat zij van hun verantwoordelijkheid zouden worden ontheven.

Tenslotte verlangt Ignatius in het bijzonder van de algemene overste en dienovereenkomstig van de lagere oversten het volgende, dat tevens in het kort een portret is van hemzelf:

 “Naast andere eigenschappen zullen vooral het vertrouwen dat hij inboezemt en het aanzien bij de ondergeschikten een hulp betekenen, en dat hij liefde en zorg voor hen heeft en toont. De ondergeschikten krijgen dan de overtuiging dat hun overste hen goed in de Heer weet te besturen, en dat ook wil en vermag. Daartoe en tot veel andere dingen zal bijdragen dat hij adviseurs om zich heen heeft die hem raad geven (zoals in deel ix zal worden besproken) en van wier hulp hij tot Gods glorie gebruik kan maken bij wat op deze en gene plaatsen voor de goede voortgang van de Sociëteit besloten dient te worden. Het zal ook bevorderlijk zijn wanneer de overste weloverwogen en ordelijk leiding geeft, doordat hij zich dusdanig ervoor inzet de gehoorzaamheid onder de ondergeschikten te behoeden dat hij zich van zijn kant van alle in onze Heer mogelijke welwillendheid, bescheidenheid en liefde bedient, zodat de  ondergeschikten eerder bereid kunnen zijn tot grotere liefde dan tot vrees voor hun oversten – ook al is soms zowel het een als het ander nuttig; ook doordat hij iets aan hun eigen beslissing overlaat, wanneer het waarschijnlijk lijkt dat dit voor hen een hulp zal betekenen, en ook doordat hij zich bij andere gelegenheden inschikkelijk betoont en medelijden met hen heeft, wanneer dit geschikter zou lijken.” (Constituties, 667)

 Zowel de structuur van het bestuur alsook het inzicht in de gehoorzaamheid binnen de Sociëteit van Jezus staan daarmee uiteindelijk onder een zeer eenvoudig en simpel criterium. Er moet, in zover dat tenminste mogelijk is, daarvoor zorg worden gedragen “dat allen alle macht hebben om het goede te bevorderen; maar doen zij iets verkeerds, dan hebben allen zich te onderwerpen” (Constituties, 820,4).

Begin 2008 heeft de 35e Algemene Congregatie in haar decreet over het bestuur van de orde de beleidsstructuren van de Sociëteit verder ontwikkeld. Ze heeft de samenwerking van de provinciaals in de afzonderlijke assistenties een duidelijker basis gegeven en de voorzitter van de betreffende conferentie van provinciaals de bevoegdheden toegekend die voor de bevordering van de samenwerking nodig zijn. Deze maatregelen dienen na enige tijd te worden geëvalueerd: ook daarin heeft de Congregatie zich laten inspireren door de manier waarop reeds de heilige Ignatius tewerkging. Verder wordt de rol van de plaatselijke overste versterkt:

 “In een geest van dienstbaarheid ondersteunt de overste de leden van zijn communauteit in hun apostolische verantwoordelijkheden en in hun religieus leven als dienaren van Christus’ zending. Dit vraagt dat hij van ieder een intieme kennis heeft, hetgeen mogelijk wordt door regelmatig geestelijk gesprek en, waar dit te pas komt, de rekenschap van geweten. Met deze hulpmiddelen kan de overste iedere jezuïet helpen inzien hoe zijn apostolisch werk, dat hem door de hogere overste is opgedragen, heel reëel deel uitmaakt van de universele zending van de Sociëteit. Daarmee bevordert hij het gevoel van apostolische solidariteit van alle leden van de communauteit, ook als zij zich bezighouden met zeer gevarieerde activiteiten.” (decreet 5, 33)

  Dit is de vertaling van een hoofdstuk uit het boek van Peter Knauer, Hinführung zu Ignatius von Loyola (Freiburg, Herder, 2006). De laatste twee alinea’s komen niet in het boek voor, maar werden door de auteur voor Cardoner toegevoegd. Knauer behoort tot de Duitse provincie van de Sociëteit en is theoloog. Op dit ogenblik is hij medewerker aan de Europese jezuïetenwerken in Brussel.

 vertaling: Frans Tromp S.J.

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel