Eenvoudig gebed en de ignatiaanse Oefeningen

Eenvoudig gebed en de ignatiaanse Oefeningen

door Tom Shufflebotham S.J. 

door Tom Shufflebotham S.J. 

 Wat helpt ons in onze relatie met God? Het antwoord op die vraag is belangrijker dan bidden “volgens het boekje”. Ignatiaans gebed is méér dan leren contempleren met een Bijbeltekst in de hand. In de Oefeningen noemt Ignatius van Loyola andere vormen van gebed.  De Engelse jezuïet pater Shufflebotham nodigt  ons uit om  pragmatisch te zijn –Hij doet dit in een persoonlijk verhaal waaruit zijn brede ervaring met de Geestelijke Oefeningen  blijkt.

 Toen ik 27 jaar was, liet mijn provinciaal mij zonder enige voorbereiding als onderwijzer los op schooljongens in Rhodesië/Zimbabwe. Ik zeg “zonder enige voorbereiding” omdat een graad in geschiedenis geen vervanging was voor een opleiding als onderwijzer. Bovendien hadden mijn leerlingen niet de pedagogische interesse om geduldig te observeren hoe deze “leerling” het ervan af zou brengen met zijn lege gereedschapskist. Ik was niet gewend aan de hitte en ook niet aan het wonen en werken op grote hoogte. Verder was in die tijd de staf van de school onderbezet zodat ik al gauw helemaal uitgeput was. In dit gekkenhuis had ik alleen maar tijd voor tien of vijftien minuten bewust gebed voordat ik mijn bed inrolde. Wanneer ik in de kapel op een knielbank neerplofte, viel ik daar onmiddellijk in slaap. Denkend dat dit niet de bedoeling kon zijn omdat God wilde dat ik wakker was, ging ik dan naar buiten onder de sterrenhemel en liep heen en weer. Ik dacht dat als ik niet op mijn allerbest kon bidden, dat ik dan maar beter mijn rozenhoedje kon bidden en dwaas genoeg beschouwde ik dit als een derderangs manier van bidden. Ik was zo moe dat de kralen aanvoelden als klompjes lood die door mijn vermoeide vingers gleden.

Maar eerlijk gezegd beschouw ik dat nu als mijn beste gebed ooit. Het dwong me om het dilemma onder ogen te zien dat dit ofwel helemaal geen bidden was ofwel dat ik het woord van Paulus serieus moest nemen: “Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom 8,26). Als ik het verlangen heb om te bidden, is de Geest in mij aan het bidden. Waarom zou ik nog meer willen?

Toen ik na drie jaar terugkwam in Heythrop College om theologie te studeren, hield ik vast aan deze conclusie maar dacht er verder niet veel over na. Na de studie theologie volgde in mijn vorming als jezuïet het “derde jaar” en de ervaring van het doen van de volledige Geestelijke Oefeningen (voor de tweede keer – de eerste keer was als novice): om verschillende redenen gaf dit mij geen voldoening en ik werd er zo gezegd niet wijzer van.

Wat te doen met deze ervaring?

 In het daaropvolgende jaar was ik opnieuw onderwijzer, maar in de vakanties gaf ik ook retraites. Nu viel mijn Afrikaanse ervaring eindelijk op zijn plaats – en als bij toeval werd mij duidelijk waarom het woord “leider” (eng.: director, red.) minder geschikt is dan de uitdrukking die Ignatius gebruikt voor “degene die de Oefeningen geeft”. Ignatius wilde juist niet al te “directief” zijn: voor hem was het van vitaal belang “de Schepper in direct contact met zijn schepsel (te) laten werken en het schepsel met zijn Schepper en Heer” (GO 15).

Mijn groeiende overtuiging werd versterkt bij de begeleiding van een 73-jarige vrouw die duidelijk een goed en gevoelig iemand was; edelmoedig in dienstbaarheid voor anderen en die jarenlang volhardend was geweest in haar gebed. Ze leek niet terneergeslagen, maar wel een beetje bedroefd en gelaten. Hier was ze nu om haar zoveelste jaarlijkse retraite te doen, maar zowel nu als ook door het jaar was haar gebed altijd “droog”, “leeg” en – ondanks haar voortdurende pogingen – “nergens toe leidend”: ze had het gevoel dat ze “iets verkeerd deed” of dat God niet op haar golflengte zat. Ze had iets artistieks en hield van tuinieren. Ik raadde haar aan dat ze zich vrij moest voelen om veel naar buiten te gaan en God tot haar te laten spreken door de natuur. Ik suggereerde twee of drie teksten, maar gaf haar de raad bij een vers te blijven als dit haar aansprak. Een week later leek ze een ander mens. In plaats van te proberen haar gedachten zo te ordenen als zij dacht dat Ignatius’ bedoeling was, had ze als het ware rustig op een psalmvers gezogen als op een pastille en de controle aan de Heilige Geest overgelaten.

Veertien dagen laten kreeg ik een pakje. Er zaten een dozijn briefjes in die ze had geschreven en versierd met tekeningen van een bloem en een vlinder en de tekst “U geeft adem, een nieuw leven begint en U maakt de wereld nieuw.” (uit psalm 104, wat velen van ons zullen kennen uit het missaal als “Zend uw Geest uit en alles zal worden herschapen, en Gij zult het aanschijn van de aarde vernieuwen”.) Dit was het vers dat haar zo had bezig gehouden.

Naar het uitspreken van wat niet uit te spreken is

Ik begon me te realiseren dat hier niets ongewoons aan was: het kwam heel goed overeen met de eenvoud van de evangelische verwijzingen naar het gebed, die passage van Paulus (Rom 8), het voortdurend aandringen van Augustinus dat “ons gebed het verlangen van ons hart is” en het traditionele gezegde “als je niet kunt verlangen, verlang dan te verlangen”. En ik dacht na over het feit dat zoveel van de diepste dingen in ons leven, zoveel menselijke relaties, eerder groeien doordat ze eenvoudiger worden dan complexer. Ik vond ook bemoediging in veel van wat in die tijd geschreven werd. Een belangrijk boek voor mij was The Prayer of Faith door Leonard Boase. Natuurlijk hadden anderen die term al gebruikt, maar nu gaf Boase in 1950 deze titel aan een boek. Hij bewerkte het in 1976 na het Tweede Vaticaans Concilie op het moment dat ik zelf op mijn bescheiden wijze met die gedachten bezig was.

Verwijzend naar de titel, The Prayer of Faith, merkt Dermot Mansfield op:

Het is een goede beschrijving die de positieve betekenis weergeeft van de situatie en de ervaring van veel mensen die bidden en die zichzelf niet in staat voelen om zich te concentreren in het gebed; ze proberen zo goed als zij kunnen hun machteloosheid te aanvaarden en bieden hun tijd in geloof aan God aan. Eerst was het voor hun gevoel nog maar gedeeltelijk goed en voldoening gevend. Maar gaandeweg veranderde dat en het eerste gevoel van voldoening begon sterker te worden. En nu is het gewoonlijk een kwestie van je tijd geven, ruimte maken, overgave in geloof. Dit kan misschien tijden lang betrekkelijk eenvoudig zijn, maar het kan ook heel moeilijk zijn en bijna iets waar je tegenop ziet.

Ik denk dat Mansfield’s artikel uit 1980 The Prayer of Faith: Spiritual Direction and the Exercises het beste was. In een paar bladzijden vat hij samen wat de ervaring is van zovelen en geeft hij wijze raad aan begeleiders van retraites in de ignatiaanse traditie. De Engelse jezuïet Jack Gillick zegt het zo:

Het belangrijkste is de behoefte om te bidden – en dan ontdek je dat het je niet mogelijk is om te bidden, het lukt niet. Dan ga je zoeken naar andere “technieken” … Maar niets schijnt te werken … Op die manier is het gebed onze belangrijkste en meest constante akte van geloof – en door dit geloof groeien wij.

Tot hier toe heb ik ervaringen en geschriften uit de tweede helft van de vorige eeuw in herinnering geroepen. Ik heb de indruk dat in de tijd daarna aanmerkelijk minder over het “gelovige gebed” gesproken en geschreven is, vooral in de kringen van de ignatiaanse retraites, en ik heb me vaak afgevraagd waarom dat zo is. Ik betwijfel dat het gebed als zodanig veranderd is (in persoonlijke gesprekken spreken mensen er wel over), maar een open discussie schijnt er niet meer te zijn en ik denk na over de mogelijke redenen daarvoor.

Een ge-aarde spiritualiteit

Bidden zal, in welke vorm of stijl of “school” het ook gebeurt, altijd de verdenking oproepen dat het esoterisch is, een bevlieging, “niet van deze wereld”, iets voor mensen die niets beters te doen hebben en die geneigd zijn dergelijke bevliegingen en hobby’s te verkiezen boven wat christenen te doen staat: God liefhebben in  je naaste.

“Zoals Goering wanneer hij het woord ‘cultuur’ hoorde de neiging had om zijn revolver te trekken, zo heb ik dat als ik het woord ‘spiritualiteit’ hoor. Tegenwoordig betekent dit dat ik bijna constant mijn hand aan de holster heb.” – zo schreef Eamon Duffy twintig jaar geleden. Hoewel ik 26 jaar heb doorgebracht in een of ander centrum voor ignatiaanse spiritualiteit, neem ik Duffy dit gezegde niet kwalijk. Zijn geschriften, vooral zijn preken aan de universiteit, hebben mij geholpen om mijn geest te voeden. Ik neem aan dat hij positief waardeert wat u en ik verstaan onder “spiritualiteit”, maar dat hij niets moet hebben van de bevliegingen en vluchtpogingen die vaak achter het woord schuil gaan. Zelfs het woord “retraite” wordt soms ongelukkig gebruikt en dat doet geen goed aan wat spiritualiteit “werkelijk” is.

Maisie Ward legde de vinger op de wond in haar inleiding op de verzamelde brieven van Caryll Houselander, schrijfster van vele werken over spiritualiteit:

Toen ik onlangs een Franse verzameling van geestelijke brieven las, vroeg ik me af waarom ik ze zo geestloos vond. Toen realiseerde ik me dat ze waren geschreven alsof schrijver en ontvanger beiden in een vacuüm leefden. Andere mensen, dagelijkse gebeurtenissen en omstandigheden kwamen er niet in voor: een geest zonder lichaam probeerde een ander te brengen naar God die hen beiden zonder lichaam geschapen had. Er is niets dat laat zien dat God deze man en deze vrouw, priester en zuster, in een wereld van mensen had geplaatst – mensen waaraan gedacht moet worden, die geholpen moeten worden, die een hulp kunnen worden, wier handen vastgepakt kunnen worden in een kameraadschap die bedoeld is door Hem om mensen naar Hem toe te leiden, zoals wat Thomas More een vrolijk gezelschap zou hebben genoemd.

De brieven van Houselander daarentegen komen glansrijk door de test die in de laatste zin van Ward schuil gaat: ze zijn spiritueel, maar ze zijn gegrond in menselijkheid. Als we spreken of schrijven over gebed moeten we ervoor oppassen dat het niet esoterisch klinkt, losstaand van het reële menselijke leven, abstract of (je moet er niet aan denken!) snobistisch. In het algemeen gesproken is zo’n kritiek niet van toepassing op ignatiaanse spiritualiteit. Hierin ligt misschien een gedeeltelijk antwoord op de vraag waarom het gelovige gebed relatief overschaduwd is.

Er is een tendens geweest om ignatiaans gebed te laten samenvallen met  wat genoemd wordt “evangeliecontemplatie” of “ignatiaanse contemplatie”. Deze manier van bidden werd veel beoefend in retraitehuizen of tijdens weken van begeleid gebed in parochies. Het kan een hulp zijn voor geest en hart, je vertrouwd maken met de nabijheid van God en stof leveren voor een vruchtbaar gesprek met de begeleider. Verder is het goed te combineren met reflectie over het dagelijks leven of andere belangrijke zaken. Als het gaat om het beschrijven of ter sprake brengen van de gebedservaring, kan het gelovige gebed als je het vergelijkt met genoemde manier van bidden wat kleurloos overkomen, omdat je het bijna niet kunt zeggen. Het lijkt zelfs “niet-ignatiaans”.

“Niet-ignatiaans”? Het is tijd om een antwoord te geven op de bewering dat de woorden van Ignatius in de Geestelijke Oefeningen impliceren dat de leegheid en de eentonigheid die ervaren worden in het gelovige gebed deze manier van bidden ongeschikt maakt voor ieder die wil bidden op de ignatiaanse manier en vooral ook voor ieder die de Oefeningen doet:

Wanneer wie de Oefeningen geeft voelt dat er zich geen innerlijke bewegingen, als vertroosting of troosteloosheid, voordoen bij wie de Oefeningen doet en dat deze niet door verschillende geesten wordt bewogen, dan moet hij hem uitdrukkelijk ondervragen over de Oefeningen: of hij ze op de vastgestelde tijden doet en hoe, en of hij de toelichtingen zorgvuldig in praktijk brengt. Naar al deze dingen zal hij in detail vragen. (GO 6)

Het hierboven geciteerde artikel van Dermot Mansfield gaat in op deze moeilijkheid en geeft volgens mij een afdoend antwoord:

… Het lijkt me goed om te vermelden dat zo’n benadering niet in tegenspraak is met de bedoelingen van Ignatius. Want het aandringen op het gelovige gebed, speciaal gebaseerd op de leer van Johannes van het Kruis betreffende onze groei in genade, zou aangevoeld kunnen worden als een ontkenning van de rijkdom van een meer actief en verbeeldend gebed en als niet op zijn plaats in een ignatiaanse apostolische spiritualiteit. Maar ik geloof niet dat dit het geval is. Het gaat er eerder om te zien wat de Oefeningen voor wegen tot gebed openen en om waardering op te brengen voor verdergaande wegen onder Gods leiding, zoals die werkelijk kunnen voorkomen zelfs bij mensen die een heel actief leven leiden.

Zo beschouwd worden de diepste bedoelingen van de Oefeningen vervuld en het is niet nodig om te vrezen dat een andere weg wordt bewandeld dan bedoeld is door Ignatius, die verlangde dat allen die geroepen zijn tot een actief leven werkelijk contemplatief zouden zijn.

Vandaar zijn conclusie: “De begeleider moet vooral letten op verkeerde verwachtingen die de retraitant ertoe zouden kunnen brengen om te bidden en daarvan verslag te doen zoals hij denkt dat van hem verwacht wordt.”

Zijn vriend en gezel Pedro de Ribadeneira zei van Ignatius dat deze het als een grote fout beschouwde wanneer iemand probeerde anderen op zijn eigen geestelijke weg te brengen. Vaak wordt ook het advies geciteerd dat hij gaf aan Franciscus Borgia in een brief van 20 september 1548:

Voor iedere mens is datgene het beste waarin God onze Heer zich meer aan deze mens geeft, zijn heiligste gaven en zijn geestelijke gaven aan hem toont. Het is God die ziet en weet wat het betere is voor iemand en God die alles weet zal aan deze mens de weg tonen die hij heeft te gaan.

Zoals Joseph Veale opmerkte: “Mensen bidden op duizend verschillende manieren”.

Ik meen dat Mansfield overtuigende redenen heeft aangevoerd om geen tegenspraak te zien tussen Ignatius en het gelovige gebed, ofschoon het duidelijk is dat retraiteleiders en geestelijke begeleiders erop moeten letten dat ze vermijden iemand op een andere weg te leiden dan hij of zij eigenlijk zou willen. Het feit dat ignatiaanse spiritualiteit en het gelovige gebed met elkaar te verenigen zijn wordt nog duidelijker als we de historische achtergrond erbij betrekken.

Ignatius in zijn tijd en wij in de onze

De retraitanten van Ignatius (tenminste degenen die zijn eerste doelgroep vormden) waren gemiddeld veel jonger dan onze retraitanten. Zijn medestudenten aan de universiteit van Parijs aan wie hij de Oefeningen gaf waren duidelijk jonger dan hijzelf. Sommige professoren en stafleden die hij zou lastig vallen totdat ze de Oefeningen deden, waren ook niet ouder dan hij. In de jaren dat Ignatius generaal van de jezuïeten was, was de helft van degenen die in de Sociëteit intraden jonger dan 21 jaar (en tijdens het generalaat van zijn opvolger Diego Laínez meer dan de helft). Zij deden normaal gesproken de volledige Geestelijke Oefeningen in hun eerste jaar.

Als je het vergelijkt met degenen die vandaag de dag de volledige Oefeningen doen, dan zouden de retraitanten van Ignatius relatief vaker een retraite doen om een levenskeuze te maken dan om een levenswijze die ze al gekozen hadden “te verbeteren en hervormen” (GO 189). Bovendien zouden ze in het algemeen niet eerder een retraite gedaan hebben, een korte noch een lange; terwijl de meesten van onze retraitanten dat wel hebben gedaan, sommigen zelfs twintig, dertig of veertig maal. De retraitanten van Ignatius waren meer vertrouwd met de grote lijnen van het leven van Jezus dan de meeste mensen vandaag, maar ze waren weer minder vertrouwd met de Bijbel dan onze gemiddelde retraitant (Franciscus Borgia had zelfs voor de Spaanse prinses-regentes verlof van Rome nodig om de Bijbel in de moedertaal te lezen.)

We weten dat Ignatius veel tijd besteedde om zijn medestudent Franciscus Xaverius voor te bereiden op het doen van de Geestelijke Oefeningen, maar het is duidelijk dat veel van zijn retraitanten en ook die van zijn eerste gezellen zomaar in het diepe gegooid werden. Zij hadden niet eerder een retraite gedaan en waarschijnlijk waren mondelinge gebeden en het bijwonen van de mis de enige zaken die hen gevormd hadden, als er al sprake was van vorming. Het was duidelijk dat Ignatius zich daaraan moest aanpassen.

Het is moeilijk om over zulke dingen een oordeel te geven, maar ik zou willen zeggen dat het riskant is om uit de instructies van Ignatius in zijn Oefeningen over de beweging van de geesten conclusies te trekken voor onze eigen situatie. Zijn pleidooi om terug te blikken, te reflecteren en te herhalen – “Ik noteer die punten en blijf staan bij die waarbij ik meer vertroosting, troosteloosheid of geestelijke smaak heb gevoeld” (GO 62) – is zeker altijd van toepassing. Maar we moeten goed nadenken voordat we conclusies trekken over mensen die zo te horen op een manier bidden die eerder leeg dan levendig lijkt of verdacht flauw.

Is het niet zo dat de voornaamste opgave in ons leven – zelfs als maar weinig mensen op deze planeet daar aandacht aan geven – is het verdiepen, versterken en ontwikkelen van onze geloofsrelatie met God? Paul Edwards sprak gewoonlijk over “de schrandere jonge geestelijken” die Ignatius vooral op het oog had wanneer hij op zoek was naar de volgende retraitanten. Zoals Paul ook zou zeggen, stonden deze met hun voet op de eerste sport van de klerikale ladder. Binnen een paar jaar zouden hun baccalaureaat of een hogere graad en de invloed van hun familie hen verzekeren van een winstgevend beneficie. De verdieping van hun geloofsrelatie met God was niet het eerste waar ze aan dachten en dat gold zeker ook voor de implicaties daarvan.

Stel je voor wat er zou gebeuren als zulke aankomende clerici zouden bezwijken voor het aandringen van Ignatius en zouden beginnen met de Oefeningen. Het effect op de besten van hen zou waarschijnlijk dramatisch zijn, zelfs schokkend, zoals dat het geval was bij Franciscus Xaverius. Een van diens biografen, James Brodrick, merkt op: “De Geestelijke Oefeningen bewezen nooit méér hun kracht om iemand om te vormen dan in september 1534, toen Franciscus in eenzaamheid worstelde met de engelen van het licht en het duister”. Geen wonder dat Ignatius op zoek was naar de bewegingen van de geesten. Geen wonder ook dat hij tegen de begeleider zei dat hij – als die bewegingen zich niet aandienden – bescheiden maar wel zorgvuldig moest nagaan waarom dat zo was. Doen ze het “goed”? Geven ze de Heilige Geest een kans?

Stel bijvoorbeeld dat een van deze “schrandere jonge clerici” in de 16e eeuw tijdens zijn retraite werkelijk door God geleid werd naar een leven gewijd aan de missie in Zuid-Amerika of Japan. Men zou zich goed kunnen voorstellen dat hij helemaal gegrepen zou zijn door het ideaal van de navolging van Christus en dat hij op die manier de christelijke waarden in zijn leven concreet zou willen maken, maar ook dat hij de volgende dag (of misschien al het volgende uur) geschokt zou zijn wanneer hij dacht aan de praktische gevolgen van deze keuze. Zijn innerlijk zou het strijdperk van de “verschillende geesten” worden; in deze omstandigheid buitengewoon kalm kunnen blijven nadenken zou verrassend zijn en Ignatius zou dit dan willen onderzoeken.

Maar de meeste van onze retraitanten zitten in een heel andere situatie. Een vergelijkbaar dramatisch effect treedt bij hen op – om het zo te zeggen – in etappes, uitgestreken over veel jaren. Sommigen van hen zullen veel, misschien heel veel retraites gedaan hebben (mijn eerste retraite deed ik toen ik 13 jaar was en het was in een zekere zin ook nog een serieuze retraite). Geldt hetzelfde principe van geleidelijkheid ook niet voor menselijke relaties en veel andere aspecten van het leven? Het wekt nauwelijks verbazing dat Jules Toner in zijn Commentary on Saint Ignatius’ Rules for the Discernment of Spirits opmerkt:

In tijden buiten de Geestelijke Oefeningen  heeft Ignatius het niet moeilijk met hen die niet veel troost ervaren, zo lang zij maar proberen te bidden zo goed als zij kunnen, hun werk doend met een goede intentie, alleen maar Gods wil in alles zoekend en groeiend in “echte deugden”.

Het gelovige gebed en ignatiaanse spiritualiteit zijn niet met elkaar in tegenspraak. De grote meerderheid zou het eens zijn met de laatste zin van Toner: de toetssteen voor ons gebed is erin gelegen hoe wij ons leven leiden en hoe wij met anderen omgaan buiten de gebedstijden; of wij onszelf ten dienste stellen van God die in Christus “de wereld met zich heeft verzoend” (2 Kor 5, 19).

                                                                                  uit: The Way, januari 2018
                                                                                  vertaling: Hans van Leeuwen S.J.

 

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel