De spiritualiteit van “medeschepping”

De spiritualiteit van “medeschepping”

door Gem Yecla God schept voortdurend: wij kunnen medescheppers zijn in geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen.  

door Gem Yecla

God schept voortdurend: wij kunnen medescheppers zijn in geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen.  

Tijden mijn studies kreeg ik een bericht uit Canada van mijn schoonzus: mijn broer was opgenomen in het ziekenhuis met hartklachten. Indien onbehandeld zou hij eraan kunnen sterven. Dit nieuws verontrustte me en ik kon niet doorgaan met studeren. Ik ging naar de kapel en bad God om mijn broer te helpen en hem te redden. Terwijl ik daar in tranen zat, leek het alsof God me zei: “Ga door met jouw werk, dan kan ik het mijne doen.”

Ik was verrast deze waarschuwing en opdracht van God te ontvangen. Beeldde ik het me in? Was God boos op me? Waarom kwam God niet naar mij toe op de rustige en liefhebbende manier die ik van hem gewend was? Terwijl ik nadacht over Gods antwoord op mijn gebeden, realiseerde ik me dat het hier waarschijnlijk ging over de essentie van de spiritualiteit van de medeschepping – het spirituele besef dat we medescheppers zijn met God. God had me een taak toevertrouwd die ik als student geestelijke begeleiding moest uitvoeren; de reden ook waarom ik zo ver weg was van mijn familie. Dat was mijn werk en misschien was het Gods werk, op dit voor mijn broer zo kritieke moment, om hem bij te staan. Ik moest in gebed mijn broer echt toevertrouwen aan Gods handen en aan de hele medische staf die zich met hem bezighield. Ondanks alle onrust in mij moest ik doorgaan met mijn eigen werk.

Medeschepping

Ik ben ervan overtuigd dat de mens, als “geschapen medescheppper”, een speciale rol heeft in Gods voortdurende werk van de schepping. Doorheen geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen kunnen we onderscheiden hoe God wil dat ieder van ons deelneemt aan Gods zwoegen in de wereld (GO 236), als we maar trouw blijven en aandachtig zijn voor Gods aanwijzingen in ons leven. Sint-Ignatius heeft ons hulpmiddelen gegeven om met God in verbinding te blijven, open en ontvankelijk voor de genade van zijn verlichtende leiding bij onze eigen verlangens en het in praktijk brengen van Gods wil. Daarom geloof ik ook dat geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen, in het bijzonder het Examen en de Regels voor de onderscheiding, krachtige middelen kunnen worden ter verandering van onderdrukkende en onrechtvaardige structuren in de samenleving, die ingaan tegen Gods verlangen en zijn plan.

Wanneer een mens de spiritualiteit van medeschepping leert begrijpen dan zal dat doorwerken in zijn mindset en wereldvisie. Hij wordt zich immers bewust van de macht, verantwoordelijkheid en voorrechten die God hem heeft toevertrouwd. De mens heeft al een hoge mate, misschien zelfs het toppunt, van intellectuele ontwikkeling bereikt op vlak van kennis en heeft zo macht gekregen om de schepping te veranderen. Hij kan vooruitgang maar ook verwoesting veroorzaken. Een geestelijk bewustzijn om zijn krachten te beheersen en bij te sturen is dan ook belangrijk. Ik geloof dat wij onszelf moeten zien als medescheppers, samen met God, om te voorkomen dat we bijdragen aan de verwoesting van de schepping, die God ons zo ruimhartig gegeven heeft. Indien niet, dan zal dat leiden tot het uitsterven van het menselijke ras.

De schepper en de geschapen medeschepper

In zijn artikel Cosmology, Creation and Contingency, merkt Robert John Russell op: “In de oude Kerk werd de schepping op twee manieren voorgesteld: creatio ex nihilo (schepping uit het niets) en creatio continua (schepping die blijft voortduren).” Hij werkt dit verder uit: “de creatio ex nihilo bevestigt allereerst dat alleen God de bron is van al wat is en dat Gods scheppende werk vrij en onvoorwaardelijk is”. Aan de andere kant staat de notie van creatio continua voor Gods voortdurende betrokkenheid op de wereld. God verbindt zich niet alleen met de schepping in zijn geheel, maar ook met elk moment. Gods fundamentele relatie met de schepping is die van schepper. Voor mij is dit een belangrijk punt omdat het inhaakt op Ignatius’ beeld van de “zwoegende God” in het derde punt van zijn Contemplatio ad amorem, de laatste belangrijke meditatie in de Geestelijke Oefeningen (GO 236). Judith Roemer en George Schemel merken op: ” Een favoriet beeld van God voor Ignatius was dat van Deus Operatius, God de werker. God is aan het werk in de wereld en wat men hem aanbiedt is het samen werken met hem.”

Bij de uitwerking van het concept van “geschapen medeschepper”, gebruikt Philip Hefner ook de modellen van creatio ex nihilo en creatio continua. Volgens hem bevestigt de doctrine van creatio ex nihilo dat: “God de bron van alles is. Deze doctrine heeft minder te maken met oorsprong dan met afhankelijkheid. Als methodologische strategie benadrukt ze eerder dat alles wat is, voor wat betreft het bestaan, afhankelijk is van God de schepper.” Hij vervolgt: “Schepping verwijst ook naar Gods voortdurende instandhouding van de wereld. Elk moment uit het bestaan van de wereld is afhankelijk van de voortdurende genade van God.” Omdat de schepping aldus afhankelijk is van God, brengt hij in dat de schepping zelf, inclusief de mens als geschapen wezen, als God is: “Er is een correlatie tussen de natuur van de wereld en de natuur van God die de wereld schiep.” In die lijn beweert Hefner: “God schept en dat doen ook wij.” Hij concludeert:

Ik stel voor dat we de mens zien als de geschapen medeschepper. Deze term omvat een aantal aspecten. Omdat we geschapen zijn, worden we eraan herinnerd dat wij afhankelijke schepsels zijn. Alleen al voor ons bestaan hangen we af van onze kosmische en biologische prehistorie. We hangen af van de scheppende genade van God. Maar we zijn ook scheppers die onze culturele vrijheid en macht gebruiken om de loop van historische en wellicht ook evolutionaire gebeurtenissen te veranderen. Met God nemen we deel aan het voortdurende proces van de schepping. Bovendien sluit de term “geschapen medeschepper” in dat wij een bestemming hebben. Wij hebben een toekomst waar wij door Gods wil naartoe getrokken worden.

We kunnen kijken naar Jezus Christus zelf die, door zijn menswording, deelnam aan het menselijke bestaan en helemaal mens werd zoals wij, en zo voor ons tot voorbeeld werd. Hij nam volledig deel aan Gods werk en bracht het ten uitvoer in de wereld doorheen zijn menselijke zending. Hefner onderstreept: “Door zijn leven, dood en leer geeft Jezus ons de mogelijkheid om het menselijk bestaan tot een hoger niveau te verheffen, wat ons in staat stelt nieuwe manieren te zien om ons aan te passen aan de realiteit van de natuur en van God.” Verwijzend naar de inzichten van Teilhard de Chardin stemt John Haught in met Hefner: “Ieder van ons is onderdeel van een immens kosmisch drama van transformatie. Dit feit kan een heel nieuwe betekenis geven aan ons leven en werken, hoe weinig effectief die soms lijken.”

Geestelijke begeleiding als medeschepping

Bijna elke type werk geeft potentieel uitdrukking aan onze roeping en rol als geschapen medeschepper. Hefner: “Wij zijn geschapen als medescheppers … We konden er zelfs niet voor kiezen om geschapen te worden als niet-scheppers. God koos. Dat wij bestaan als geschapen medescheppers is Gods beslissing, niet de onze.” De meest natuurlijke manier om vorm te geven aan deze rol ligt in het werk waar we ons mee bezighouden. Ons werk is onze manier van medescheppen met God die ons schiep als medescheppers. Ook Jordan Ballor benadrukt dit punt:

Het valt niet te ontkennen dat de mens geschapen is als schepper. Het antropologische concept van homo faber, de mens die werktuigen maakt, bekrachtigt dit basisaspect van het menszijn. Vanuit christelijke invalshoek getuigen we dat mensen dingen maken op een manier die hun Maker imiteert. Waar God schept “uit het niets” (ex nihilo) en vervolgens ordent en een juiste plaats geeft, zo scheppen wij op een manier eigen aan een schepsel, afhankelijk van Gods schepping die eraan voorafgaat. Dit gaat op voor heel de menselijke persoon, en dat is ook goed zo.

Ik kies ervoor om speciale aandacht te geven aan het werk van geestelijke begeleiding als een manier om medeschepper te zijn met God, vanwege de unieke aard van dit dienstwerk dat focust op onze relatie met God.

William Barry schrijft: “Gedurende de hele geschiedenis van de Kerk hebben mensen hulp gezocht bij andere leden van de Kerk om hun innerlijke leven te voeden. Dergelijke hulp heeft verschillende vormen aangenomen.” Eén hiervan is geestelijke begeleiding, die Barry met William Connolly definieert als:

… hulp door de ene gelovige gegeven aan een andere die de laatstgenoemde in staat stelt aandacht te geven aan hoe God met hem of haar persoonlijk communiceert; om antwoord te geven op die persoonlijke communicatie van God; om te groeien in intimiteit met God; en om vorm te geven aan de consequenties van deze relatie in het dagelijks leven. De nadruk … ligt op de ervaring, niet op ideeën, en vooral op de religieuze dimensie van de ervaring, d.w.z. de mate waarin de ervaring de aanwezigheid oproept van die mysterieuze Andere, die we God noemen. Bovendien beschouwen we deze ervaring niet als een geïsoleerde gebeurtenis, maar als uiting van de voortdurende relatie die God is aangegaan met ieder van ons.

Uit deze definitie volgt dat de persoon die de rol heeft van geestelijke begeleider, in een nauwe relatie optrekt met een andere persoon, de begeleide. Doorheen een open en liefdevolle ontmoeting wordt voor de begeleide een gewijde ruimte gecreëerd waarin hij of zij kan luisteren naar God en Gods wil verkennen in zijn of haar dagelijks leven. Wanneer de mens dan participeert aan Gods voortdurende schepping, dan moet hij of zij beschikken over een doorvoelde kennis – hoe vaag ook; we kunnen immers God, die oneindig is, nooit helemaal begrijpen – van hoe deze participatie concreet plaatsvindt, want onze relatie met God omvat alle dimensies van ons leven. Aldus geeft geestelijke begeleiding ons de mogelijkheid om het terrein van Gods actie in ons leven te verkennen en te zien hoe God verlangt dat wij in de wereld staan.

Sint-Ignatius en de Geestelijke Oefeningen

Het christendom is rijk aan verschillende spirituele tradities, elk met hun eigen manier van bidden en van God benaderen. Ik zal focussen op Sint-Ignatius van Loyola omdat zijn Geestelijke Oefeningen een unieke bijdrage zijn aan de Kerk. Ik geloof dat deze bijzonder effectief kunnen zijn om trouw te blijven aan onze rol van Gods geschapen medescheppers in de specifieke context van ons werk en leven.

Om de woorden van Monty Williams te gebruiken, was Ignatius “een niet geheel integere, ambitieuze telg uit een 16e-eeuwse Spaanse familie van lagere adel, die door na te denken over zijn leven een weg naar God ontdekte”. “Dit proces”, zo vervolgt Williams, “transformeerde hem en hij transformeerde de bekende wereld. Hij stichtte de jezuïetenorde die het charisma heeft om, aan wie dat verlangt een manier van onderscheiden aan te bieden die leidt tot een doorleefde intimiteit met God in de wereld.” Deze ”manier van onderscheiden” is het hart van de Geestelijke Oefeningen van Sint-Ignatius.

De Geestelijke Oefeningen zijn, zoals Lavinia Byrne het beschrijft, zowel een proces als een tekst. Ze vat dit als volgt samen:

De gebeurtenissen in het leven van Jezus zijn de ruggengraat van de Geestelijke Oefeningen. De persoon die de oefeningen doet wordt uitgenodigd om hetzelfde proces door te maken als Ignatius en blootgesteld te worden aan het evangelie op de manier die hij zelf als zo heilzaam had ervaren. Aldus volgen de Oefeningen een patroon van vier weken. In de eerste week wordt degene die ze doet uitgenodigd om na te denken over de liefde en goedheid van God onze schepper. In de tweede week zijn de gebeurtenissen rond incarnatie, geboorte en publiek optreden van Jezus stof om mee te bidden en over te reflecteren. De derde week wordt doorgebracht met het overwegen van het lijden en de dood van Jezus. De vierde week tenslotte begint met de verrijzenisverhalen en gaat verder met het overwegen van God als de gever van alle dingen die ons van boven constant overlaadt met zijn gaven en ons uitnodigt om zijn aanwezigheid in alle dingen te zoeken en te vinden.

De Oefeningen dienen te worden opgevat als een geïntegreerde geheel. Een uitgebreide discussie over hun fijne kneepjes en rijkdom valt buiten het opzet van dit essay. Daarom beperk ik mij tot twee elementen: het Examen en de Regels ter onderscheiding. Ik meen dat zij in direct verband staan met de spiritualiteit van medeschepping.

Het Examen

In de algehele structuur van de Geestelijke Oefeningen komt het Examen na het Uitgangspunt en fundament (GO 23), de toegangspoort naar de Oefeningen, en vóór de meditatie over de zonde (GO 45 en volgende). David Fleming merkt op:

Ignatius stuurt erop aan dat de begeleider de retraitant eerst voorbereidt om na te denken over Gods aan- of afwezigheid in de gebeurtenissen van zijn dagelijks leven. En daarom presenteert hij eerst een manier om het geweten te onderzoeken; niet als voorbereiding op het sacrament van de verzoening, maar als een dagelijkse gewoonte, welke wij vandaag het gewetensonderzoek of  bewustzijnsonderzoek noemen. Omdat een reflectief bewustzijn noodzakelijk is voor iedereen die de Oefeningen doet, is een goed begrip van deze oefening, al vanaf het allereerste begin van de retraite, van groot belang. Het Examen blijft de centrale oefening in een ignatiaanse spiritualiteit van God vinden in alle dingen.

Het Examen neemt in de Geestelijke Oefeningen een prominente plaats in; het is bekend dat Ignatius zelf trouw bleef aan haar praktijk en haar als onmisbaar beschouwde. Donald St Louis schrijft: “Ignatius zag het Examen fundamenteel als een gebed om te onderscheiden; een verhelderende en dynamische ervaring van biddend reflecteren dat zowel het besef van als het antwoord op Gods permanente aanwezigheid in ons leven viert en aanscherpt.” Het is mijn overtuiging dat dit vijfpuntengebed – beginnend met een eerlijke terugblik, gevolgd door dankbaarheid, spijt en verlangen en uitmondend in vernieuwing – ook van vitaal belang is voor een spiritualiteit van medeschepping.

Regels voor de onderscheiding

Wanneer we samen met God willen werken aan de schepping, dan is het noodzakelijk dat we weten wat God wil en hoe God te werk gaat in ons leven en in de wereld. Het is in dit licht dat de Regels voor de onderscheiding der geesten een ander essentieel onderdeel zijn van de spiritualiteit van medeschepping, zoals ik het begrijp. Michael Ivens merkt op: “Ze dragen niet alleen bij aan het proces van de Oefeningen op zich, de regels hebben ook een belangrijke waarde in het tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van de wereld en de Kerk van vandaag.” Donald St Louis bevestigt dit:

Ignatius’ Regels voor de onderscheiding der geesten verschaffen een aantal criteria en hermeneutische principes om de acties van God en de vijand te interpreteren…, om het subtiele samenspel van genade en zelfzucht, dat zich verweeft met ons antwoord op Gods genadegaven, te ontdekken.

Op deze manier, met Gods genade en met de hulp van een geestelijk begeleider, zijn we in staat te herkennen hoe we ons toewenden naar of afwenden van God en of we samenwerken met of juist weerstand bieden tegen Gods handelen in ons leven.

Sint-Ignatius deelde de Regels voor de onderscheiding der geesten op in twee reeksen: de eerste veertien regels (GO 313-327) zijn bedoeld voor de eerste week van de Oefeningen; de tweede reeks van acht (GO 328-336) zijn voor de tweede week. Roemer en Schemel leggen uit: “De eerste week focust op de basisbeginselen van de spiritualiteit”, terwijl “een retraitant in week twee veel meer bezig is met de kwaliteit van de beslissingen die hij of zij zal nemen voor het Koninkrijk …” De geestelijke begeleider zal de persoon die de Oefeningen doet helpen bij het bepalen van welke reeks regels van toepassing is voor hem of haar.

Het is belangrijk om in gedachten te houden dat dit onderscheidingsproces vol zit van nuances en subtiliteiten en eigen complexiteiten kent. David Fleming merkt echter terecht op: “Eén van Ignatius’ grootste geschenken zijn de Regels voor de onderscheiding … Hij liet ons zien hoe God doorheen onze gevoelens tot ons spreekt.” Gevoelens maken deel uit van onze realiteit en zo wordt ook God deel van onze realiteit en komt Hij ons nabij. Hieruit volgt dan dat: “Het gebed, een toenemende vertrouwelijkheid met God en een persoonlijke band met Jezus en zijn manier van handelen maken allemaal deel uit van een onderscheidend hart.”

Elizabeth Liebert en de Sociale Onderscheidingscyclus

In de jaren 80 waren, in het Center for Spirituality and Justice in de Bronx, Elinor Shea en anderen pioniers met hun benaderingswijze van de samenhang tussen spiritualiteit en sociale rechtvaardigheid en de rol van geestelijke begeleiding daarbij. Zij baseerden zich op de “pastorale cirkel” van Joe Holland en Peter Henriot, die vier “momenten” heeft, namelijk: insertie, dat wil zeggen: “in onze benadering nauw aansluiten bij de ervaringen van gewone mensen”; sociale analyse van deze ervaringen; theologische reflectie “in het licht van levend geloof, de Schrift, de sociale leer van de Kerk en de traditie”; en pastorale planning door te beslissen hoe te antwoorden op de resultaten van de analyse en de reflectie.

Elizabeth Liebert voegde bepaalde aspecten toe aan dit model en ontwikkelde zo wat nu bekend is als de Sociale Onderscheidingscyclus die centraal staat in haar eigen werk omtrent gemeenschappelijke onderscheiding. Verwijzend naar de belangrijke bijdragen van theologen als Walter Wink en Eleazar Fernandez en hun analyse van het systemisch kwaad in de wereld, verklaart Liebert: “Het zijn de systemen die zowel rechtvaardigheid als onrechtvaardigheid handhaven.”

De Sociale Onderscheidingscyclus is ontwikkeld met het oog op grote en kleine systemen; om concrete stappen te zetten binnen een complex systeem – zij het in de familie, op het werk, in de buurt, school of kerk, in de lokale of nationale politiek, of in antwoord op de wereldwijde ecologische crisis. De enige manier waarop we de toekomst kunnen beïnvloeden is door het goede te doen in het heden. Sociale onderscheiding helpt ons na te gaan wat dan wel “het goede” zou kunnen zijn en, samen, de eerste stap te zetten. Het helpt ons “kleine stappen te zetten tegen verwoesting” alsook “kleine stappen voor opbouw”.

Bij wijze van uitwerking:

Onderdrukking wordt in stand gehouden niet door een enkele maar door een reeks van afzonderlijke onjuiste acties. Het bedrieglijke van onderdrukking is juist dat het de individuele actoren overstijgt. Individuele acties om verbroken relaties te herstellen zijn prijzenswaardig, maar raken niet aan de wortel van systemische onderdrukking. Het uitroeien van systemische onderdrukking, evenals het tot stand brengen van duurzame systemische verandering die positieve elementen versterkt, vereist actie die inwerkt op het hele systeem. Wanneer we de overgang maken van persoonlijke naar systemische analyse, realiseren we ons waarom zo veel van onze goedbedoelde acties ofwel geen verschil maken voor het systeem ofwel perverse reacties uitlokken, waardoor een slechte situatie nog verslechtert.

Het is daarom absoluut noodzakelijk dat we ons onderscheidingsproces uitbreiden tot voorbij het persoonlijk niveau en ook onrechtvaardige en onderdrukkende structuren en systemen, die nog altijd bestaan in onze eigen samenlevingen en wereldwijd, hierbij betrekken. Als geschapen medescheppers hebben we te maken met en leven we in deze systemen; systemen die samengesteld zijn door mensen, maar die nu hun eigen macht en persoonlijkheid hebben verworven.

Medescheppers en verandering

Terwijl ik dit essay schreef, deed ik ook twee keer per dag het Examen en vroeg ik aan God of mijn inspiratie van hem kwam, of ik op het juiste spoor zat. In alle oprechtheid kan ik zeggen dat ik niet alleen schrijf en studeer om mijn diploma te behalen. Ik wilde iets terugbrengen naar mijn land en mijn volk helpen. Ik heb een hevig verlangen naar verandering. Ik kan niet langer doof en blind zijn voor het lijden van de armen vanwege de onrechtvaardige sociale, economische en politieke structuren die nog altijd bestaan in de Filipijnen, mijn vaderland, en in de hele wereld. De enige middelen die ik ter beschikking heb zijn geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen. Ik wil een manier vinden om deze, zo goed als ik kan, te gebruiken. Dat is ook de reden waarom ik de betekenis van de spiritualiteit van medeschepping wil verwoorden. Ik vind de volgende woorden van Liebert bemoedigend:

Wanneer een bepaalde actie plaatsvindt op het juiste moment en daar waar verschillende systeembepalende krachten elkaar ontmoeten, dan kan mogelijk een enkele acteur of een enkele beslissing het hele systeem doen verschuiven. Eén iemand kan een werksituatie doen keren. Eén persoon kan een nieuw dienstwerk voorstellen die een hele geloofsgemeenschap inspireert. Soms heeft één enkele persoon een oorlog doen uitbarsten. Eén persoon kan een systeem veranderen wat kan leiden tot verandering van andere systemen doordat een kettingreactie van samenhangende veranderingen plaatsvindt die niet te voorzien was vanuit de eerste actie.

Ik stel voor om de spiritualiteit van medeschepping te definiëren als een manier van zijn en doen in de wereld, waarbij individueel en collectief de rol en de roeping van de mens als geschapen medeschepper met God onderstreept wordt. Aan de basis hiervan ligt het voorrecht en de verantwoordelijkheid van actieve participatie aan Gods voortdurend scheppingswerk in elk aspect van ons leven en bestaan.

Ik denk dat de kennis van de spiritualiteit van medeschepping, in ons menselijk geweten, het bewustzijn van onze ware natuur van geschapen medeschepper tot stand brengt. Dit geeft mensen een gevoel van waardigheid en eer in die zin dat wat ze doen in hun werk niet zomaar een taak is, maar een betekenisvolle deelname aan Gods schepping. Ik denk dat het belangrijk is ons hiervan bewust te zijn, zodat we niet verstrikt raken in de dagelijkse sleur van bepaalde dingen steeds opnieuw te doen zonder een idee te hebben waarvoor dit allemaal dient.

Geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen boren in de mens de meest diepe bewegingen aan omtrent het verlangen Gods wil te kennen en deze in alle vrijheid te volgen. Daardoor worden deze praktijken concrete manieren om deel te nemen aan Gods voortdurende scheppingswerk. Elk werk, elke baan of nuttige activiteit biedt potentieel een manier om deel te hebben aan het goede dat God doet in de wereld, als we ons maar afstemmen op God en verlangen om onze gedachten, intenties en handelingen in lijn te brengen met God. Zoals William Yeomans het heel juist verwoordt: “Oprechtheid in de dienst van God vereist een constante inzet van onderscheiding, een groeiende gevoeligheid voor de wil van God. Wanneer dit ontbreekt kan vrijgevigheid alleen maar leiden tot “the expense of spirit in a waste of shame”’ (verwijzing naar sonnet 129 van William Shakespeare, n.v.d.v.).

Maar geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen, in het bijzonder het Examen en de Regels voor de onderscheiding, zijn veelbelovend als effectieve methodes om onderdrukkende en onrechtvaardige structuren in de wereld te transformeren. Deze processen stellen de persoon in staat om zichzelf in begenadigde openheid en oprechtheid te aanschouwen en zo vast te stellen of hij al dan niet afgedwaald is van het pad dat leidt tot God. Walter Wink schrijft: “God kan tegelijkertijd een politiek of economisch systeem handhaven omdat zo’n systeem nodig is om het menselijke bestaan te ondersteunen, veroordelen voor zover het verhindert dat mensen zich voluit kunnen ontplooien, en aandringen op transformatie tot een meer humane menselijke orde. Omdat alle menselijke systemen en structuren samengesteld zijn uit mensen, die begiftigd zijn met de belofte en mogelijkheid van transformatie, is het ook mogelijk om onderdrukkende en onrechtvaardige systemen en structuren te transformeren.

bron: The Way, 58/3 (juli 2019)
vertaling: Rita Vandevyvere en Wiggert Molenaar SJ

Gem Yecla werkt als geestelijk begeleidster aan het East Asian Pastoral Institute in Manila op de Filipijnen. Zij studeerde onder meer aan het Jesuit College of Spirituality in Melbourne, Australië. 

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel