Dierenwelzijn en scheppingsgeloof

De dieren verdienen dringend meer respect en bescherming. Het christelijk scheppingsgeloof verdiept en verscherpt dit besef nog.

De dieren verdienen dringend meer respect en bescherming. Het christelijk scheppingsgeloof verdiept en verscherpt dit besef nog.

Door Guy Dalcq

De zwartwit foto (niet die van hiernaast) is van 1947, minuscuul en met witgekartelde randjes. Centraal trekt een bonkige Brabantse merrie voren door de aarde. Rechts van haar kijkt mijn grootvader wat onwennig in de lens. Links staat de nog jonge oom Frans. Het paard heette Juul, vertelde mijn oudere nicht me onlangs. Het is een zeldzame familiefoto uit die tijd, en ik koester hem.

Twee wereldoorlogen

Mijn grootvader had toen al twee wereldoorlogen achter de rug. Gewoon omdat hij boer was, werd hij tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de cavalerie ingelijfd. Hij heeft er vier jaar in de modder van de IJzervlakte de gruwel en de waanzin van de oorlog beleefd.

Bij cavalerieaanvallen doorzeefden mitraillettekogels tot twee keer toe de gladde hals van het paard onder hem dat levenloos neerzeeg. Tot twee keer toe heeft een paard op die manier zijn leven gered.

“Two men, one horse” was het bekende Engelse gezegde. In het geval van mijn grootvader dus “one man, two horses”.

De grote slachting

In de Eerste Wereldoorlog stierven naar schatting acht miljoen paarden aan koude, ontbering, aan een kogelregen of door het eten van het door mosterdgas vergiftigd gras. In het begin werden de paarden nog met een zekere schroom begraven; toen de oorlog vorderde, werden ze zo snel mogelijk opgegeten. Zij waren allen onschuldig en lieten hun prachtige leven voor de waanzinnige mens.

Zelfs in de Tweede Wereldoorlog stierven nogmaals vier miljoen paarden. Paarden kunnen – zo bleek – effectief gillen van pijn en verdriet. Net als het krijtende paard in de Guernica van Picasso.

Kijken

Ik bekijk de foto nogmaals. Hij drukt voor mij de idylle uit van een voorgoed vervlogen tijd. Hij doet me ook mijmeren en nadenken, want – welbeschouwd – hebben die twee paarden ook mijn leven gered. Ja, laat Juul maar in het midden staan, zij staat daar goed.

Inmiddels lees ik dat op 24 september 2024 te Mechelen (Vlaanderen) – eindelijk – een bescheiden gedenkplaat werd onthuld ter ere van alle paarden, honden en postduiven (200.000) die met hun leven de mens ten dienste stonden in diens moorddadige oorlogen.

Als ik vandaag de oorlogsbeelden uit het Midden-Oosten of Oekraïne zie, denk ik vooreerst aan de menselijke slachtoffers, maar ik moet noodgedwongen ook denken aan het achtergelaten vee, de onthutste katten en honden die hongerig, verdwaasd en onbegrijpend ronddolen op zoek naar hun verloren baasje, en aan alle andere dieren.

En God zegende hen

Terwijl de dieren in de gangbare theologie nog veelal afwezig blijven, wemelt het in de Bijbel van de dieren: “‘Het water moet wemelen van dieren, en boven het land moeten de vogels vliegen langs het hemelgewelf.’ Toen schiep God de grote gedrochten van de zee en al de krioelende dieren, waar het water van wemelt, soort na soort, en al de gevleugelde dieren, soort na soort. En God zag dat het goed was. God zegende ze…” (Gen. 1,20-22a).

De zegen is een bijzonder gebaar van goedkeuring, van liefdevolle zorg en een belofte van steun. Het betreft hier trouwens de allereerste goddelijke zegening waar de Bijbel gewag van maakt. Dringt het tot ons door dat God de dieren gezegend heeft?

De mens mag de dieren een naam geven

Kort hierop geeft God aan de mens een duidelijke opdracht: “Hij bracht de dieren bij de mens om te zien hoe de mens ze zou noemen; zoals hij ze zou noemen, zo zouden ze heten” (Gen. 2,19b).

Veelzeggend is de commentaar die in de wijdverspreide Willibrordvertaling uit 1975 als voetnoot bij deze passage staat: “Namen geven is ordenen, en daarmee een uiting van macht. Hier blijkt duidelijk dat de mens geen soortgenoot heeft en dus alleen staat.”

Een blijk van liefde

Voorzeker is de mens in de Bijbel de kroon van de schepping, maar is naamgeven toch niet eerder een uiting van respect en waardigheid dan van macht? Kunnen we dit Bijbelcitaat dus ook niet beter begrijpen als een privilege dat aan de mens wordt verleend, een privilege dat tegelijk verantwoordelijkheid inhoudt?

Ouders geven een naam aan hun kind om het een unieke identiteit te verlenen, als blijk van genegenheid en liefde, en dus geenszins als uiting van macht.

Het overdreven accent dat de bovenstaande commentaar bij deze passage legt op de menselijke macht en diens “allenigheid” is tekenend voor een ongebreideld antropocentrisch machtsgevoel waarvan de dieren ten slotte de eerste en grootste slachtoffers geworden zijn. Zo leert ons de geschiedenis.

Gij zult een geitje niet koken in de melk van zijn moeder (Exodus 23, 19b)

Nog in Genesis krijgt de mens – die mag heersen over de schepping – alle vegetatie tot voedsel: “En God sprak: ‘Hierbij geef ik alle zaadvormende gewassen op de hele aardbodem aan u, en alle bomen met zaaddragende vruchten, zij zullen u tot voedsel dienen.’ ” (Gen. 1,29).

Pas na de zondeval, en als teken van een verstoorde scheppingsorde, wordt aan de mens de toestemming verleend om ook dierlijk voedsel tot zich te nemen: “Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen, dat alles schenk Ik u naast het groene gewas” (Gen. 9,3).

Het verdrongen schuldgevoel

De Duitse filosoof en antropoloog Gerd Haeffner S.J. had het bij deze passage over “een verdrongen schuldgevoel van de mens dat ‘im Nachhinein’ in de Schrift moest opgeheven worden.”

Uit deze twee Genesiscitaten blijkt alvast de gespannen verhouding van de mens tot dierlijk voedsel. De auteur van deze passage voegt er dan ook onmiddellijk aan toe: “Alleen vlees met de ziel – vlees met het bloed er nog in – moogt gij niet eten” (Gen. 9,4). Hij wil hiermee duidelijk maken dat het om bezielde wezens gaat. Dieren zijn bezield en kunnen dus nooit als een louter ding beschouwd of behandeld worden.

Joodse spijswetten

De vele Joodse spijswetten in de Torah getuigen van deze diepe schroom om met de schepping om te gaan. We beperken ons hier tot het even mooi als schrijnend zinnetje uit het boek Exodus: “Een geitje zult gij niet koken in de melk van zijn moeder” (Ex. 23,19b), een betekenisvol verbod dat tot op vandaag verregaande rituele consequenties heeft in de orthodoxe joodse godsdienst en cultuur en dat op een gevoelige en beeldrijke wijze van diep respect getuigt.

Houdt hen in stand

Nergens elders in de Bijbel dan in de hoofdstukken 7 tot en met 9 van de Genesisboeken krijgen de dieren een zo prominente plaats. Als God omwille van de zondigheid van de mens beslist om zijn eigen schepping te verwoesten, krijgt alleen Noach genade in zijn ogen.

Omwille van de rechtschapenheid van deze éne man beslist God om alsnog zijn schepping te redden en te verlossen. Noach gehoorzaamt aan God, bouwt zijn ark en brengt er zijn gezin én de dieren in onder: “Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje; maar van de onreine dieren één paar, telkens een mannetje en een wijfje; ook van de vogels in de lucht zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje. Zo zult gij hun soort in stand houden op de gehele aarde” (Gen 7,2-3).

In deze drastische reddingsactie van Gods schepping krijgt de mens een heel bijzondere opdracht mee: niets minder dan de redding van zijn medeschepselen, de dieren. De mens wordt door God tot medehoeder van de héle schepping aangesteld. Net als Abel moet leren de hoeder van zijn broeder te zijn, moet ook de mens leren de hoeder van de schepping te worden.

God sluit een verbond met de dieren

Als dan de duif met een olijftak naar de ark van Noach terugkeert, is het tijd voor een nieuwe schepping en een nieuw verbond. Noach wordt de nieuwe Adam.

De tekst van dit heilig en nieuw verbond luidt aldus:

God zei tot Noach en zijn zonen: “Nu ga Ik mijn verbond aan met u en uw nageslacht, en met alle levende wezens die bij u zijn, met de vogels en de viervoetige dieren, met alle dieren van de aarde die bij u zijn, al wat uit de ark is gekomen, al het gedierte van de aarde.” (…) “Ik zet mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.” (…) ‘Dat is het teken van het verbond dat Ik heb ingesteld tussen Mij en alles wat leeft op aarde.” (Gen. 9, 8-17).

Een kosmische dimensie

In deze troostvolle passage over een nieuwe schepping wordt de héle schepping betrokken. Meer nog: God gaat een nieuw verbond aan met mens én dier, met alles wat leeft op aarde. De verlossing in Noach krijgt aldus een kosmische dimensie waarvan de regenboog een universeel symbool wordt. Beseffen wij werkelijk dat God de dieren mee opneemt in zijn nieuw verbond? Het lijkt me veeleer dat dit in de nochtans omstandige verbondstheologie nog onderbelicht blijft.

Kijken hoe God woont in de schepping

De Geestelijke Oefeningen zijn één lange meditatie en contemplatie op grond van de Schrift. Ze zijn een door en door Bijbelse spiritualiteit. Dit blijkt ook uit de tekst van De “Contemplatie om de liefde te verkrijgen”, die zo nauw aansluit bij de teksten van Genesis. We citeren hier het tweede punt van deze beschouwing in een wat ongebruikelijke typografie:

Kijken hoe God woont in de schepselen:

in de elementen door ze het bestaan te geven,

in de planten door ze te doen groeien,

in de dieren door ze te doen voelen,

in de mensen door hun verstand te geven.

Zo woont Hij ook in mij,

door mij het bestaan te geven,

mij te bezielen,

mij te doen voelen en mij verstand te geven.

Bovendien maakt Hij van mij een tempel,

daar ik geschapen ben naar het beeld en

de gelijkenis van zijne goddelijke Majesteit.

Dan tot mezelf inkeren. (GO 235a)

Een eerste lectuur

In een eerste lectuur van deze tekst blijkt reeds dat de tekst naar één overweldigende ervaring toe geschreven is: “Zo woont Hij ook in mij.” Tot zeven keer toe wordt immers de ik-persoonsvorm gebruikt. Jezus is niet alleen voor “dé mensheid” gestorven, maar ook voor mij en mijn zonden.

Deze verlossing leidt tot een hernieuwde scheppingservaring zoals uit de voorlaatste regel blijkt die naar het Genesisverhaal verwijst: “Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend” (Gen. 1,26a).

Die overweldigende persoonlijke verlossingservaring lijkt de kern van deze tekst te zijn.

Opnieuw kijken

Laten we dezelfde tekst echter nog een tweede keer lezen.

Ignatius vraagt ons blijkbaar helemaal niet om te lezen, maar om te kijken. Het gaat hier dus niet om een reflectietekst of om een informatie die overdacht moet worden. Het is evenmin een “meditatie”, maar wel een “contemplatie”, een beschouwing. Dit is een even groot verschil als tussen weten en innerlijk beseffen.

Deze tekst begrijpen kan allicht in één minuut, maar hoelang duurt het om hem te laten doordringen? Een week, een leven?

Langdurig kijken

Als men het over Ignatius’ bekering heeft, vertelt men graag (en terecht) over hoe de lectuur van boeken in hem verschillende gevoelens opwekte en hoe hij daar geleidelijk aan aandacht aan besteedde.

Toch liet hij in zijn autobiografie nog iets anders optekenen: “Een gedeelte van zijn tijd besteedde hij aan het schrijven, een gedeelte aan gebed. De grootste troost vond hij in het kijken naar de hemel en de sterren.  Dit deed hij dan ook vaak en langdurig, want daarbij voelde hij een grote kracht in zich om onze Heer te dienen.” (Het verhaal van de pelgrim, hoofdstuk I, 11)

God woont in zijn schepping

Het is vanuit dit doorleefd perspectief dat we het citaat uit de Geestelijke Oefeningen nog ruimer kunnen begrijpen.

“Hoe God woont in de schepping” is een sterke metafoor.

De schepping als woning van God; ze is zijn huis: de héle schepping – de elementen, de planten, de dieren, die gevoelens hebben, zoals Ignatius aanvult – en zo ook ikzelf.  Laten we hier maar niet te licht overheen gaan. Het hele eerste deel van deze beschouwing is meer dan zomaar een inleiding die we evengoed kunnen overslaan om ons dan onmiddellijk naar de essentie te haasten.

Verantwoordelijkheid

De tekst nodigt integendeel uit tot regelmatige en langdurige verwondering, bewondering, dankbaarheid en respect en ten slotte tot verantwoordelijkheid voor de enorme gave die de héle schepping is. Wie er delen uit weglaat en er alleen maar het individuele zielenheil van zou overhouden, doet de overweldigende kracht van deze beschouwing onrecht aan.

Zou het dan immers niet lijken op de mens die een tijdlang te gast is in een groot en mooi huis, zich verheugt om dit verblijf, zich te goed doet aan wat hij in de keuken vindt, maar intussen de tuin van de eigenaar laat verwilderen en alle andere levende wezens op het domein laat omkomen in plaats van er uit dankbaarheid en uit verantwoordelijkheidszin zorg voor te dragen?

Binnen het kader van dit artikel – dierenwelzijn en scheppingsgeloof – mogen we stellen dat De beschouwing om de liefde te verkrijgen – welbeschouwd – alle schepselen omvat, ook de dieren, onze medeschepselen, en dat deze beschouwing dus een loutere individuele heilservaring overstijgt.

In alle geschapen dingen op het aardoppervlak

We citeren nu het derde punt van de “Contemplatio ad amorem” in eenzelfde typografie:

Nagaan hoe God in alle geschapen dingen op het aardoppervlak

voor mij zwoegt en werkt,

dat wil zeggen: Hij gedraagt zich als iemand die zwoegt.

Bijvoorbeeld in de hemel, de elementen, de planten, de vruchten, het vee, enz.,

door ze het bestaan te geven en in stand te houden,

door ze te doen groeien en voelen enz.

Daarna tot mezelf inkeren. (GO  236)

De héle schepping

Het valt op dat ook in dit derde punt de uitdrukking “voor mij” centraal staat. Evenzeer valt op dat Ignatius ook nu weer de héle schepping voor ogen heeft en ze in een hiërarchische orde opsomt, van levenloos tot aan de dieren (waarbij hij voor een tweede keer hun gevoelsvermogen aanhaalt).

Het gaat bij deze “Beschouwing om de liefde te verkrijgen” duidelijk om een universele en kosmische ervaring, Het besef van de nieuwe schepping doordringt immers alles: “in alle geschapen dingen”.

Cardoner

We lezen hier de echo van de sterke ervaring die Ignatius reeds vervulde toen hij in Manresa in de diepte de rivier Cardoner zag stromen: “Dat ging met zo’n sterke verlichting gepaard dat hem alle dingen nieuw leken” (Het verhaal van de pelgrim, hoofdstuk III, 30).

Doorheen de verlossingsdaad van Christus ervaart de retraitant zijn eigen bestaan als een nieuwe schepping, maar evenzeer laat deze vreugdevolle ervaring hem/haar toe de héle schepping met nieuwe ogen te zien.

Schepping gebeurt hier en nu

En toch is dit tweede citaat nog indringender dan het eerste. Tot tweemaal toe stelt Ignatius immers dat God “voor mij zwoegt door de planten en het vee, door ze het bestaan te geven en in stand te houden, door ze te doen groeien en voelen”. God zwoegt in héél de schepping voor mij, staat er.

Ignatius gebruikt hier heel opmerkelijk de presensvorm: de schepping is immers geen loutere gebeurtenis uit het verleden. God zwoegt hier en nu voor mij en wel doorheen de héle natuur en ook – zo staat er nadrukkelijk – doorheen mijn medeschepselen, de dieren. Schepping is niet slechts een daad uit een ver verleden maar telkens weer een tegenwoordig en actueel gebeuren.

Ook nu vraagt Ignatius om “tot mezelf in te keren”. Als God zélf doorheen dit alles zo voor ons zwoegt – zoals Ignatius stelt – om dit alles in stand te houden, met welk recht denkt de mens dan zijn schepping te mogen vernielen, de aarde te ontbossen, diersoorten massaal te laten uitsterven, ze te mishandelen of ze op industriële schaal te gebruiken als pure consumptiegoederen, als dingen?

De liefde is nog onbetreden

Positiever gesteld: de vreugde om de verrezen Christus zal nog groter worden als we leren om de liefde die we verkrijgen naar alle schepselen te laten overstromen. De liefde die we in ons gebed hopen te verkrijgen is immers mateloos en grenzeloos.

Het is eigen aan de liefde om steeds verder te gaan langs nog onbetreden paden van inzicht en moed onder de stuwing van een heilige Geest. Christenen doen er goed aan om samen met alle mensen van goede wil voor meer dierenwelzijn te zorgen, ook op politiek en juridisch vlak.

Dit is een opdracht van verantwoordelijkheid voor de kwetsbaren en een uiting van authentiek scheppingsgeloof.

Guy Dalcq is redactielid van Cardoner. Hij was jarenlang godsdienstleerkracht aan het Sint-Barbaracollege te Gent en was medeauteur van het opvoedingsproject van de Vlaamse jezuïetencolleges.

Leven met angst, medicatie en gebed 5

Dit artikel verscheen in Cardoner 2026/2

 

 

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel