De Geestelijke Oefeningen als gesprek

Een begeleider en een retraitant in gesprek

Tijdens de Geestelijke Oefeningen spreekt de retraitant rechtstreeks met God, maar tegelijk ook met de persoon die de Oefeningen geeft. Wat is de eigenheid van deze tweevoudige dialoog?

Tijdens de Geestelijke Oefeningen spreekt de retraitant rechtstreeks met God, maar tegelijk ook met de persoon die de Oefeningen geeft. Wat is de eigenheid van deze tweevoudige dialoog?

Door Patrick Goujon sj

Ignatius rekende de Geestelijke Oefeningen tot de dienstwerken van het geestelijk gesprek: “Ze zullen er zorg voor dragen ook privé de medemens via vrome gesprekken tot het betere te brengen, de ene keer met raad en aansporing tot goede werken, de andere keer ook met het geven van de Geestelijke Oefeningen.” (Constituties, VII. 4.8 [648])

De Geestelijke Oefeningen beschouwen als gesprekken lijkt echter paradoxaal. Enerzijds worden ze gewoonlijk begrepen als een gesprek tussen degene die de Oefeningen geeft en degene die ze ontvangt. Aan de andere kant worden ze opgevat als een gesprek met God. Dus in welke van deze betekenissen beschouwde Ignatius ze als een dienstwerk van het gesprek?

In direct contact met de Schepper en Heer

Het belangrijkste is toch wat er gebeurt tussen God en de retraitant. Dit wordt geïllustreerd door het moment van de beslissing wanneer de begeleider “de Schepper in direct contact met zijn schepsel (laat) werken en het schepsel met zijn Schepper en Heer” (GO 15). Toch lijkt het gesprek tussen de begeleider en de retraitant fundamenteel te zijn voor de verwezenlijking van dit moment.

Om de gespreksdynamiek van de Geestelijke Oefeningen beter te begrijpen, zullen we eerst kijken naar de rol van het gesprek in Het verhaal van de pelgrim, Ignatius’ autobiografie, en hoe het overeenstemt met de ontdekking van zijn persoonlijke ervaring van God. Daarna bekijken we hoe de Geestelijke Oefeningen ontworpen zijn opdat de retraitant zich openstelt voor deze zelfde ervaring, en de rol van de begeleider bij dit proces van het verwerven van openheid.

Het geestelijke gesprek in Het verhaal van de pelgrim

 Ignatius’ autobiografie helpt ons om te begrijpen hoe het komt dat God zichzelf aan Ignatius mededeelt, maar hij nog steeds spirituele mensen opzoekt voor advies. In Manresa ontmoette hij regelmatig een vrouw die beroemd was om haar geestelijke wijsheid (nr. 21). Hij ging herhaaldelijk biechten, zelfs na zijn algemene biecht in Montserrat.

Midden in een grote crisis voegde hij, zonder resultaat, gesprekken toe aan de biecht (nrs. 21-22). Toen hij zich steeds onrustiger voelde, kwam hij zelfs in de verleiding om zelfmoord te plegen, dus leefde hij nog ascetischer en bad hij nog langer (nr. 24). Hoewel hij al vóór zijn avontuur in dienst van God inzicht had gekregen in zijn geestelijk leven — in Loyola, Montserrat en bij de Cardoner (nr. 14) — voelde hij zich nog steeds verloren.

Grote helderheid

Plotseling hield zijn onrust op. Wat was er met hem gebeurd? Ondanks alle biechten en het advies van zijn biechtvader om te stoppen, piekerde hij nog steeds over zijn zonden. Toen hij op het punt stond om weer te gaan biechten, merkte hij op:

Maar het einde van die gedachten was dat hij wat tegenzin voelde ten aanzien van zijn levenswijze en de neiging kreeg om ermee te kappen.  Hiermee wilde de Heer dat hij wakker werd als uit een droom. Omdat hij door de lessen die God hem gegeven had, al wat ervaring had aangaande de verscheidenheid van geesten, begon hij na te gaan met welke middelen die geest gekomen was.

Zo kwam hij in grote helderheid tot het besluit om niets van vroeger meer te biechten.  Vanaf die dag bleef hij vrij van die gewetensangsten en beschouwde het als zeker dat onze Heer hem in zijn barmhartigheid had willen bevrijden. (nr. 25)

Bezinning na ontwaken

Na dit moment van “ontwaken” volgde een periode van bezinning. Het was door het onderscheiden van geesten dat Ignatius zijn beslissing bevestigde om vroegere zonden niet te biechten. Toch gaf hij de biecht of geestelijke begeleiding niet op. Toen hij eenmaal begreep dat hij zijn eigen wil kon onderzoeken, kon hij zich bevrijden van de ascese waaraan hij eerder gebonden was geweest.

Hij stond toe dat zijn lichaam weer de plaats innam die het toekwam in zijn geestelijk leven, wat rust en een soort zekerheid bracht. Hij maakt duidelijk dat dit een geschenk van God was, dat hij ontving door zijn “ervaring (…) aangaande de verscheidenheid van geesten” (nr. 25).

God zélf had zich meegedeeld

Wat heeft dit te maken met geestelijke gesprekken? Door een daad van zelfmededeling werd God de basis van de hulp die Ignatius ontving en later leerde geven. Geestelijke bewegingen die samengaan met de instemming van de wil brengen een helderheid teweeg die alle twijfel wegneemt. Het was God die dit onderscheidingsvermogen in Ignatius vormgaf: “In die tijd deed God met hem wat een schoolmeester met een kind doet: Hij onderwees hem.” (nr. 27)

Later zou hij de Geestelijke Oefeningen ontwerpen om anderen te helpen op dezelfde manier van God te leren. Hij blijft biechten, ontmoet spirituele mensen en vraagt om advies, maar het is hier dat zijn verlangen “om zielen te helpen” voor het eerst verschijnt in zijn autobiografie (nr. 26). Hier zien we de kern van Ignatius’ spirituele pedagogie: iemand verwerft spirituele samenhang met God in de eerste plaats door instemming met de innerlijke geestelijke bewegingen – niet uitsluitend van God, maar allereerst van God.

De Geestelijke Oefeningen als gesprek?

Tot God naderen in de stilte

De twintigste aantekening legt uit dat een retraite een voorkeur voor onthechting, afzondering en isolement vereist. Dit staat haaks op het idee van de Oefeningen als geestelijk gesprek. Zo’n ascetische, zelfs asociale inspanning leidt tot concentratie en een onverdeelde geest. Het vormt het vermogen van de retraitant om God te benaderen en te bereiken en om genade te ontvangen:

Deze afzondering heeft onder meer drie grote voordelen. (…) Ten tweede, wie zich aldus afzondert heeft zijn geest niet verdeeld over vele zaken maar richt zijn gehele aandacht op dit ene: zijn Schepper dienen en zijn eigen ziel vooruithelpen.  Zo is hij vrijer in het gebruik van zijn menselijke mogelijkheden om ijverig te zoeken wat hij zozeer verlangt. Ten derde, hoe meer onze ziel zich in eenzaamheid afzondert, des te meer is zij in staat om God onze Heer nabij te komen. En hoe meer zij Hem nadert, des te ontvankelijker maakt zij zich voor gaven en genaden van de goddelijke en hoogste Goedheid. (GO 20)

Actieve toewijding én ontvankelijkheid

Deze laatste regels zijn in overeenstemming met de uitnodiging om de Oefeningen met vrijgevigheid en moed aan te gaan (GO 1) om een zichzelf mededelende God te ontmoeten (GO 15). Als we deze twee aantekeningen samen lezen, is het duidelijk dat de Geestelijke Oefeningen een combinatie zijn van actieve toewijding en ontvankelijkheid.

De eerste aantekening vergelijkt geestelijke oefeningen met fysieke activiteit, zij het dat deze plaatsvindt in een omgeving van afzondering. Ondertussen worden in de twintigste aantekening dezelfde oefeningen beschreven als iets wat leidt tot een bewustzijn van en een vermogen tot het ontvangen van Gods genade, Gods zelfmededeling.

Niet gevangen in ons ego

Ons hedendaags perspectief legt een grote nadruk op het belang van converseren en uitwisselen. Het doel van de Geestelijke Oefeningen is echter de vorming van het zelf, zodat het God kan benaderen en ontvangen. Dit houdt in dat we niet gevangen raken in het ego, maar dat we omgevormd worden door een ontmoeting met God die ons bevrijdt:

“Maar tijdens de geestelijke oefeningen, waar men op zoek is naar Gods wil, is het meer gepast en veel beter dat de Schepper en Heer zelf zich meedeelt aan de ziel die Hem genegen is, dat Hij haar omarmt zodat zij Hem kan liefhebben en loven, en dat Hij haar voorbereidt voor de weg waarlangs zij Hem in de toekomst beter zal kunnen dienen”. (GO 15)

Gods genade bestaat uit de gave van onze vrijheid. Daardoor worden we ons bewust van wat ons beïnvloedt en nadat we onderscheiden en herkennen wat van God komt, handelen we ernaar. Dit wordt samengevat in de titel: “Geestelijke Oefeningen om zichzelf te overwinnen en zijn leven te ordenen zonder zich te laten leiden door een ongeordende gehechtheid.” (GO 21)

Oefeningen ontvangen

We kunnen oefeningen definiëren als: een reeks activiteiten om een vaardigheid te ontwikkelen. Als de vaardigheid die geleerd moet worden het vermogen is om Gods genade te ontvangen, hoe ontwikkelt Ignatius die dan? Ten eerste door het cultiveren van ontvankelijkheid. De persoon die de Oefeningen doet, ontvangt de Oefeningen.

De retraitant kiest niet wat hij of zij doet, maar ontvangt het “van degene die de oefeningen geeft”. Iemand anders komt tussenbeide in de vorming van het zelf. Het is een asymmetrisch gesprek, in tegenstelling tot de individualistische benadering van veel hedendaagse spiritualiteit.

Ten tweede wordt het vermogen om genade te ontvangen ontwikkeld door de vorm van elke oefening. Hoewel de retraitant om genade vraagt in de tweede inleiding (GO 48), wordt hem of haar verteld waar hij of zij om moet vragen: “De vraag zal verschillen naargelang van de voorgehouden stof: gaat de beschouwing over de verrijzenis, dan vraag ik vreugde met de vreugdevolle Christus; gaat de beschouwing over het lijden, dan vraag ik droefheid, tranen en pijn met de gefolterde Christus.” (GO 48)

Uitgedrukt nog voor de retraitant het gedaan heeft

Het verzoek wordt ontleend aan het boek van de Geestelijke Oefeningen en verteld aan de retraitant. Het wordt dus uitgedrukt nog voor de retraitant het gedaan heeft. Het neemt de plaats in van wat de retraitant anders voor hem- of haarzelf zou vragen.

Hier komen we bij het hart van Ignatius’ pedagogie. Hoewel de retraitant in het begin wordt uitgenodigd om uit te drukken wat hij of zij wil en verlangt (GO 48), wordt dit onmiddellijk onderschept door het onderwerp van contemplatie. Voor het grootste deel zal dat verlangen in contact komen met het leven van Christus in de verbeelding van de retraitant.

Hij of zij zal luisteren naar alles van Christus wat weerklank vindt in de innerlijke contemplatie, daarbij troost, uitdaging, vrede en eenheid van verlangen ontvangend – en zo een weg vinden om in harmonie met Christus te leven. Dit is de eerste pool van een spanning die aan het einde van elke oefening wordt opgelost.

Vrijuit spreken

In het gesprek wordt de retraitant uitgenodigd om vrijuit te praten over alles wat er opkomt (GO 52-54). De retraitant wordt uitgenodigd om tot Christus of God te spreken en uit te drukken wat door de meditatie of contemplatie wordt gesuggereerd: Ik heb een groot verlangen om u te volgen, ik wil mijn leven niet verliezen, ik kan niet leven zonder me in solidariteit te geven, ik ben bang om alles te verliezen.

Het belangrijkste is hier om het verlangen zo te verwoorden dat het nauw aansluit bij wat je hebt begrepen, gevoeld of ervaren tijdens de oefening. De samenhang en richting van dat verlangen komen geleidelijk naar boven totdat de vrucht, die gewenst en nu mogelijk is, geplukt kan worden.

De conversationele vorm van het gesprek helpt de retraitant om zijn of haar vrijheid te vinden. Hij of zij beschouwt God als een vriend of een meester: “Het gesprek houdt men door echt te spreken zoals een vriend spreekt met zijn vriend of een dienaar met zijn heer. Nu eens vraagt hij een genade, dan weer beschuldigt hij zich van wat verkeerd liep of hij deelt mee wat hem bezighoudt en vraagt om raad.” (GO 54)

Spreken tot God

Dit betekent niet dat de retraitant spreekt zonder rekening te houden met degene tot wie hij of zij spreekt; God moet immers geprezen, geëerd en gediend worden (GO 23). Het gesprek is een uitnodiging om je vrijheid van spreken te gebruiken in persoonlijk gebed door je te richten op God als vriend. Op andere momenten wordt een uitdrukkelijk feodale toon gesuggereerd (GO 74, 98), terwijl de retraitant vervolgens wordt uitgenodigd om voor God en alle heiligen te staan als in een hemels hof (GO 95-98, 151, 232).

Desalniettemin is deze samenspraak een van de belangrijkste plaatsen om vrijheid voor God te ervaren. Ze is een uitnodiging om de Godsbeelden die onze spraak kunnen censureren achter ons te laten. Hier krijgt het gesprek zijn volle betekenis: de vrije uitdrukking van een verlangen dat nu bevrijd is.

Onverschilligheid

 De Geestelijke Oefeningen zouden gemakkelijk een monoloog kunnen worden die binnen een gesloten circuit wordt voortgebracht. De afzondering, de concentratie van de geest, het gebruik van de verbeelding en de intensiteit van de innerlijke bewegingen kunnen allemaal bijdragen aan een onontkoombare naar binnen gerichte aandacht. De concentratie en het alleen-zijn kunnen de retraitant misleiden tot het volgen van zijn of haar eigen plannen in plaats van naar God te zoeken.

Daarom dringen de Geestelijke Oefeningen aan op onverschilligheid.

Dit wordt voor het eerst verwoord in het Uitgangspunt en fundament, maar het wordt ook weerspiegeld in de beweging van “vragen wat ik verlang” naar het Gesprek in de structuur van elke oefening. Het gaat samen met de zuiverheid van intentie die tot uitdrukking komt in het voorbereidend gebed: “God onze Heer de genade vragen dat al mijn bedoelingen, daden en geestelijke werkzaamheden zuiver gericht mogen zijn op de dienst en de lof van zijne goddelijke Majesteit.” (GO 46)

Vóór het spreken met God is het gebed een opening van het zelf, een blootgeven van jezelf in kwetsbaarheid: we vragen God wat we uit onszelf niet kunnen bieden. Gebed komt voort uit het erkennen van mijn gebrek, van het verlangen dat ik zelf niet kan bevredigen.

Uitgangspunt en fundament

Vanuit ignatiaans perspectief is elk gebed geworteld in de onverschilligheid van het Uitgangspunt en fundament. In het midden van de Geestelijke Oefeningen staan de criteria voor het nemen van een goede en heilige beslissing (GO 169). Ze worden voorafgegaan door de Overweging over drie soorten mensen (GO 149-157) en Drie wijzen van nederigheid (GO 165-168). Wat betreft het gesprek is onverschilligheid de houding waarmee ik God een echte plaats geef in ons gesprek.

Het is gemakkelijk genoeg om met God over je eigen plannen te praten, maar veel moeilijker om je met God te onderhouden als een echte gesprekspartner die iets anders in gedachten heeft. Als Ignatius het heeft over de openheid voor de mogelijkheden die God zou kunnen aanbieden, dan doet hij dat in de taal van doelen, middelen en ongeordende gehechtheden:

Want het komt voor dat velen eerst het huwelijk kiezen, wat een middel is, en pas dan de dienst van God in het huwelijk, terwijl de dienst van God het doel is. Zo zijn er anderen die eerst inkomsten willen hebben en daarna God ermee willen dienen. Zo richten zij zich niet recht op God, maar verlangen dat God zich recht op hun ongeordende gehechtheid richt. (GO 169)

Onze relatie met God

Deze uitleg kan worden begrepen in termen van een relatie. Onverschilligheid houdt in dat God niet meer aanwezig is in de ene situatie dan in de andere, of het nu gaat om ziekte of gezondheid, armoede of rijkdom, verwachte of onverwachte situaties. Dit besef bevrijdt ons om een beeld van God te ontvangen dat tegen onze voorkeuren ingaat; een beeld van een God die ons verrast en misschien zelfs onze plannen dwarsboomt.

Onverschilligheid is de voorwaarde voor een echt gesprek met God. Ignatius drukt het zo uit: “Want iedereen moet goed weten dat hij zoveel vooruitgang zal maken in geestelijke zaken als hij zich losmaakt van eigenliefde, eigen wil en eigenbelang.” (GO 189)

De rol van de begeleider

Nu we de gespreksvorm van de Geestelijke Oefeningen begrepen hebben, is het tijd om ons te richten op de rol en de houding van degene die de Oefeningen geeft. Ten eerste is het gesprek tussen degene die de Oefeningen geeft en degene die de Oefeningen doet geen gesprek tussen twee mensen maar tussen drie. God maakt deel uit van een gesprek dat gegrond is in gemeenschap.

God is degene tot wie de retraitant spreekt en van wie tekenen worden ontcijferd door de innerlijke bewegingen die ontstaan in de contemplatie van het leven van Jezus Christus. Degene die de oefeningen geeft, organiseert het ritme ervan (GO 4), past de materie aan en dient deze toe voor meditatie of contemplatie (GO 4, 18) en leert de retraitant de innerlijke bewegingen en hun valstrikken te interpreteren (GO 7). (De begeleider zal “de listen van de vijand van de menselijke natuur voor hem blootleggen”.)

Degene die Oefeningen doet is dus in staat om de bewegingen van de geest te herkennen volgens de regels die hem of haar zijn uitgelegd. In de Vijfde toelichting wordt de persoon ook uitgenodigd om na te denken over wat er tijdens de oefeningen is gebeurd: “Na de oefening zal ik gedurende een kwartier, zittend of wandelend, nagaan hoe het mij in de beschouwing of overweging is vergaan.” (GO 77)

De rol van de begeleider

Kortom, de rol van degene die de Oefeningen geeft is ze te organiseren en uit te leggen zodat de retraitant zijn of haar leven kan leiden. Bovendien heeft de gever een zekere houding van zorg voor de ontvanger. De gever moedigt de retraitant aan en sterkt hem of haar (GO 7, 22) om hem of haar te behoeden voor over-enthousiasme dat zou kunnen leiden tot “een of andere ondoordachte en overhaaste belofte of gelofte zou doen” (GO 14).

De gever zorgt ervoor dat de retraitant de oefeningen met regelmaat en trouw doet (GO 6). Het is een rol die wordt gekenmerkt door aandacht voor zijn of haar unieke eigenschappen: “De oefeningen zullen worden aangepast aan de mogelijkheden van wie de geestelijke oefeningen willen doen.” (GO 18)

Een asymmetrisch gesprek

Ondanks deze zorg voor degene die de oefeningen ontvangt, is het daaropvolgende gesprek er niet zomaar een tussen vrienden. Zoals al is opgemerkt, is het een asymmetrische relatie. Een beweging bezielt de dialoog die de gever in staat stelt de reis te organiseren en tegelijkertijd een stap opzij te doen.

Een focus op de ervaring van God van degene die de Oefeningen doet, maakt een vrije uitwisseling tussen hen beiden mogelijk: “Voor wie de oefeningen geeft is het een grote hulp dat hij getrouw wordt ingelicht over de verschillende beroeringen en gedachten die de verschillende geesten op gang brengen bij wie de oefeningen krijgt, zonder te willen achterhalen welke diens persoonlijke gedachten of zonden zijn.” (GO 17)

Er is fijngevoeligheid en tact nodig om deze rol te vervullen, evenals veel aandacht voor lichaamstaal. De rol wordt gedefinieerd en beperkt door het beroemde beeld van de wijzer van een weegschaal: “Wie de oefeningen geeft moet dus niet naar één kant afwijken of neigen, maar als de wijzer van een weegschaal in het midden blijven.  Hij moet de Schepper in direct contact met zijn schepsel laten werken en het schepsel met zijn Schepper en Heer.” (GO 15)

Melodie en improvisatie

De rol van de begeleider staat ver af van de vrijheid van een spontaan gesprek. Misschien helpt een vergelijking met de vrije muzikale improvisatie van een jazzband. De melodie is meestal goed bekend bij de muzikanten. Hoewel geen van hen weet waar de muziek naartoe gaat, doen de spelers mee omdat ze de regels van de harmonie kennen en weten hoe ze de akkoorden moeten verbinden.

Niets staat van tevoren beschreven, maar de muzikanten kunnen op elkaar inspelen omdat ze de regels begrijpen die ten grondslag liggen aan de muziek die ze spelen. Door naar elkaar te luisteren ontdekken ze een complementariteit die de improvisatie vooruithelpt.

In de Geestelijke Oefeningen deelt God zichzelf mee, dus de standaardmelodie is al gegeven! Het volstaat om de Vijftiende aantekening te herhalen: “Wie de oefeningen geeft moet wie de oefeningen krijgt, niet méér bewegen tot armoede of het beloven ervan dan tot het tegendeel. (…) Het (is) meer gepast en veel beter dat de Schepper en Heer zelf zich meedeelt aan de ziel die Hem genegen is, dat Hij haar omarmt zodat zij Hem kan liefhebben en loven.”

Naar het model van de liefde

Het is niet aan de gever om de ontvanger te beïnvloeden. God, die alleen kan geven in een daad van zelfmededeling, doet dat evenmin. Het gesprek tussen de gever en de ontvanger van de Oefeningen hangt af van het vermogen om zich bewust te zijn van deze communicatie. Naarmate ze naar de onderliggende melodie luisteren, beginnen ze hun eigen spontane compositie te improviseren.

Het doorlopende gesprek kan alleen maar deel uitmaken van de daad van wederzijdse communicatie die de ware aard van liefde illustreert (zie GO 231). Degene die de Oefeningen ontvangt, beantwoordt deze liefde eerst in de samenspraak en vervolgens definitief in de beslissing die hij of zij tijdens de retraite neemt.

Afzondering en ontvankelijkheid

Ignatius zag de Geestelijke Oefeningen als gesprekken. Zijn autobiografie beschrijft hoe hij, via een persoonlijke onderscheiding die steeds openstond voor de begeleiding van anderen, geestelijke standvastigheid in zijn relatie met God ontwikkelde. De Geestelijke Oefeningen zijn georganiseerd rond twee polen waartussen spanning bestaat: afzondering en openheid; de afzondering van de retraite, in stilte, en openheid gevormd door meditatie en contemplatie van het leven van Jezus Christus.

Deze spanning wordt in stand gehouden door een levende dynamiek: retraitanten bewegen zich van het verzoek om genade dat ze in de Oefeningen ontvangen naar de dialoog waarin ze uitdrukken wat ze willen op basis van wat er in hun gebeden is gebeurd. Ze combineren ontvankelijkheid met vrijheid.

Afzondering helpt om hun ogen te openen voor het leven, om op te merken wat hen ten diepste beweegt. Zo leren zij, in de contemplatie van het leven van Christus, te vragen om wat ze zoeken en wensen.

De melodie van Gods liefde

Door zorg, aandacht en onverschilligheid gaat de begeleider een asymmetrisch gesprek aan in gemeenschap met God en de retraitant. Het dienstwerk van het geestelijk gesprek is gegrond in een verbondenheid met de onderliggende melodie van Gods liefde; het is een spontane compositie die ons laat zien hoe we die liefde kunnen ontvangen om anderen te helpen.

Patrick Goujon (°1969) is een Franse jezuïet en fellow in de theologie en de geschiedenis van de spiritualiteit aan de Universiteit van Oxford. Daarnaast is hij professor theologie aan de Facultés Loyola in Parijs, een opleidingsinstituut van de jezuïeten.

Zijn belangrijkste onderzoeksgebied is de geschiedenis van de spiritualiteit en mystiek van de jezuïeten. De correspondentie van de 17-eeuwse jezuïet Jean-Joseph Surin was het onderwerp van zijn doctoraatsthesis. Hij is ook een van de leidende figuren in Frankrijk tegen seksueel misbruik.

bron: The Way, 62/3 (juli 2023)
vertaling: Wouter Blesgraaf S.J.
Nederlandse publicatie: Dit artikel verscheen in Cardoner 2026/1

Leven met angst, medicatie en gebed 5

Bekijk alle artikelen van Cardorner

Deel