
Wereldwijd beoefenen mensen het contemplatieve gebed volgens de weg van Franz Jalics sj. Het gaat daarbij niet alleen om de ervaring van transcendentie en transformatie, maar om een nog diepere openbaring.
Wereldwijd beoefenen mensen het contemplatieve gebed volgens de weg van Franz Jalics sj. Het gaat daarbij niet alleen om de ervaring van transcendentie en transformatie, maar om een nog diepere openbaring.
Door Johanna Schulenburg cj
Wie volgens de methode van Franz Jalics sj (1927-2021) het Jezusgebed als leidraad neemt, moet zich slechts twee vragen stellen: ben ik op God gericht of maak ik kringetjes rond mezelf? En: ben ik bereid om te doorstaan wat in de meditatie mogelijks moeilijk is?
Anders uitgedrukt: probeer ik vastbesloten in het hier en nu te blijven, door consequent met mijn aandacht altijd bij de waarneming te blijven van het lichaam, de adem, de handen en de naam van Jezus, of, indien ik afdwaal, hiernaar terug te keren? En: ben ik bereid om me bloot te geven aan de moeilijkheden van het mediteren, zoals wanneer het moeilijk is om in het heden te blijven dan wel omdat bij deze gebedswijze onaangename ervaringen opduiken, zoals bijvoorbeeld pijnlijke herinneringen, krenkingen, beelden, gewaarwordingen of gevoelens?
Frequent gebruikte woorden voor deze gebedsmethode zijn “aandacht of gerichtheid” en “bereidheid om te doorlijden”.
Theoretisch gezien moet men in principe steeds op beide aspecten letten. De kortst mogelijke verklaring hiervoor is de volgende: alleen wat verbonden met het hier en nu (in liefde) doorleden wordt, is verlost. In de praktijk is dat echter helemaal niet zo eenvoudig. Dat komt door de veelheid aan ervaringen en gevoelsaffecten die tijdens of omwille van de meditatie kunnen opkomen. Ook het begrip verlossing vraagt om verduidelijking.
Op deze gebedsweg worden we geconfronteerd met pijnlijke herinneringen, (lichamelijke) gewaarwordingen, gevoelens, krenkingen, vastgelopen levenspatronen of verstarde karaktertrekken. In het beste geval is het gewoon vermoeiend om dit alles uit te houden, maar meestal ervaren we het als pijnlijk. En hoe meer we er ons tegen verzetten, des te pijnlijker wordt de confrontatie met die pijn.
Ofwel worden in ons de vluchtmechanismen opgestart die de confrontatie met het onaangename willen vermijden en vluchten we weg in een loutere “gerichtheid en aandacht”; ofwel worden we zo meegetrokken in de innerlijke film van onze onrust dat de gerichtheid en de aandacht verloren gaan. De kunst bestaat erin om aandachtig te blijven, om in het heden te volharden, en toch tegelijk de ruimte van het gewaarworden van de innerlijke beleving open te houden. In beide gevallen leidt de intensieve feitelijke realiteit of het gevreesde innerlijke beleven makkelijk tot een onevenwicht.
Wat ons echter eveneens ten deel kan vallen is de ervaring om in ons meest innerlijke zijn met de goddelijke oergrond verenigd te zijn, een ervaring van eenheid en van zich bevrijd voelen van het kleine ik, een ervaring van transcendentie. Voor velen is dit ook het grondverlangen en de motivatie om zich verder in het contemplatieve gebed te oefenen. Men zoekt een eenvoudige directe toegang tot de goddelijke aanwezigheid, naar een concreet aanraken van de “zoom” van de goddelijke tegenwoordigheid.
Het is evenzeer waar dat de meesten die zich op deze weg begeven ooit en altijd weer meemaken dat herinneringen opduiken die met sterke en pijnlijke emoties en gewaarwordingen gepaard gaan en dat ze beroerd worden door krenkingen en levenskwetsuren, maar ook dat deze gevoelens en gewaarwordingen in de meditatie kunnen geheeld worden.
Ook kan men beleven hoe ingesleten levenspatronen en verstarde karaktertrekken die het leven hinderen, aan kracht inboeten en men wat vrijer wordt. In de meditatie voltrekt zich een verandering, een transformatie. Ook deze ervaringen zijn steeds opnieuw een motivatie om zich in het contemplatieve gebed te oefenen.
Net deze (vaak korte, maar gelukkig makende) ervaringen, zoals de ervaring van eenheid of de ervaring van genezing, kunnen er iemand toe verleiden om het doel van de contemplatie verkeerd te verstaan of om ze prioritair op te zoeken. In dat geval worden de gaven van de contemplatie tot doel zelf van het gebed en is men niet langer gericht op de schenker ervan: Jezus Christus. Hier wordt het nu belangrijk om te weten wat we onder verlossing verstaan en hoe we verlossing moeten duiden.
Contemplatie, in het bijzonder bidden met de naam Jezus, staat in een veel groter gebeuren dan de individuele ervaring van transcendentie en/of transformatie. Het gaat om de openbaring van de goddelijke (Christus-) werkelijkheid, de aanwezigheid van God in ons zelf en binnen de context van de heilsgeschiedenis. Dat is wat bedoeld wordt wanneer we over verlossing spreken. Het gaat om de verlossing van de enkeling, van de mensheid, van de schepping, van de wereld en uiteindelijk om een inbedding in een universeel gebeuren.
Dat is het eigenlijke doel van mediteren. En in die dienst staan ook de houding van gerichtheid en de bereidheid tot lijden. Dit is de maatstaf waaraan telkens opnieuw afgemeten wordt welke van beide houdingen heel concreet in het gebed de meeste aandacht of versterking behoeft opdat steeds beide in het blikveld blijven en het evenwicht bewaard wordt.
De meditatie is er uiteindelijk niet op gericht een ervaring van eenheid te bewerkstelligen, noch enkel – al hoort dat er ook bij – om ons heler, vrijer en meer in het heden te doen leven. Zij is gericht op de openbaring van de goddelijke werkelijkheid. Toch vormen zowel de ervaring van transcendentie als die van innerlijke transformatie een wezenlijk en samenhangend deel van dit heilsgebeuren.
Ontologisch, d.w.z. op het existentieel niveau van het zijn, betekent verlossing het oplichten van de goddelijke werkelijkheid die altijd al in ons is en werkzaam is. Het gaat om het bewust worden van ons ware zijn. De Christuswerkelijkheid in ons wordt ons meer en meer bewust – het Christuslicht in ons wordt meer en meer zichtbaar. Zo heet het in de brief van de apostel Paulus aan de Efeziërs: “Alles echter wat aan het licht wordt gebracht, komt in het licht tot helderheid. En alles wat verhelderd wordt, is zelf “licht” geworden. Zo zegt ook de hymne: “Ontwaak, slaper, sta op uit de dood, en Christus’ licht zal over u stralen” (Ef 5, 13-14).
Dit betekent dat de goddelijke werkelijkheid die universeel achter de zichtbare realiteit aanwezig en werkzaam is, oplicht – het is het Rijk Gods in onszelf (Lc 17,21): “Want zie, het Rijk Gods is midden onder u.” In de brief aan de Kolossenzen staat: “Aan hen heeft God de rijkdom van de heerlijkheid van dit geheim onder de heidenvolken bekend willen maken. En het luidt: ‘Christus, de hoop de heerlijkheid, is in u’” (Kol 1, 27).
Het Griekse woord “en” of “entos” wordt vaak slechts door “onder u” vertaald in de betekenis dat God daar is waar meerderen (één of een paar) in zijn naam verenigd zijn, maar men kan het daarbovenop ook directer vertalen in de zin van: in, binnenin, in elkeens binnenste. De individuele mens wordt zich bewust van zijn ware zijn, van de goddelijke aanwezigheid in zijn echte innerlijk.
Op het niveau van kennis en ervaring toont zich dit gebeuren doorheen verschillende aspecten, wanneer en voor zover het door de goddelijke genade bewerkt wordt. Op deze wijze vervluchtigt zich mettertijd de illusie dat men van God gescheiden is. Ook gebeurt verlossing als een weg van (helende) transformatie, ofwel doordat wonden geheeld worden, ofwel doordat ervaren krenkingen verzoend worden, of doordat men zich bevrijd voelt van vastgeroeste levenspatronen of karaktertrekken.
Dit wordt mogelijk als we, dankzij de verankering van onze aandacht in het hier en nu, tegelijk ook onze beleveniswereld waarnemen, haar in ons toelaten en daarin (kunnen) volharden. Op die manier maken we het mogelijk dat de genade duisternissen in ons verdrijft.
Beiden zijn met elkaar verstrengeld: hoe sterker en hoe innerlijker de goddelijke werkelijkheid ervaren wordt, des te verder dringt zij als de geboortepijn van het transformatiegebeuren in ons binnen. En, hoe meer wij ons openstellen voor het innerlijk louteringsproces, des te sterker breekt de goddelijke werkelijkheid door.
De houdingen of disposities van gerichtheid en bereidheid tot lijden ontmoeten en versterken elkaar. Mocht er nu eens niets aan de oppervlakte van ons bewustzijn komen, dan hoeft men het vanzelfsprekend niet kunstmatig te zoeken. Men verwijlt zo goed als mogelijk in het hier en nu.
“De vereniging met God is niet iets wat verworven kan of moet worden. Ze wordt gewoon verwerkelijkt. De werkelijkheid waar het begrip “vereniging” naar verwijst, is reeds vooraf gegeven.” Met deze enkele woorden raakt Martin Laird in zijn boek Into the Silent Land – The practice of Contemplation de kern van het verlossingsgebeuren: wat wij proberen te bereiken, is al lang gegeven! Verderop beschrijft Laird hoe we gaandeweg verlossing meer en meer ervaren als het loslaten van de verkeerde vooronderstelling dat we van God zouden gescheiden zijn.
“Het feit dat de meesten onder ons gedurende het grootste gedeelte van hun leven het gevoel hebben dat God afwezig en veraf is, dat is de grote illusie waarin we gevangen zitten; het is als het ware onze “condition humaine”. Het gevoel dat men gescheiden is van God, is reëel, maar de ontmoeting in de stilte toont aan dat deze waargenomen scheiding niet het laatste woord heeft. Deze illusie van gescheiden te zijn wordt door het verstand opgewekt en wordt in stand gehouden doordat we vastgekluisterd blijven aan onze innerlijke soap, dat voortdurend getater van de cocktailparty in ons hoofd. … De heilsgenade, de genade van christelijke heelheid die in de stilte opbloeit, verdrijft het gescheiden zijn.”
Zoals de zon de nevel verdrijft, zo breekt in de stilte de Christuswerkelijkheid door. We mogen vertrouwen op de bemoedigende woorden uit de eerste brief van Johannes: “Wat wij zullen zijn, is nog niet geopenbaard, maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is” (1 Joh 3,2).
Het gebeuren van de transformatie
Transformatie als spiritueel begrip betekent een fundamentele omkering, een omvorming, letterlijk een “doorheen vormgeven” naar en tot in God. En ook deze ervaring moet dan op haar beurt zelf nog in het leven geïntegreerd worden. Transformatie duidt zowel op het proces als op de toestand waar het proces in uitmondt. En ze voltrekt zich doorgaans niet snel, maar in vele kleinere en grotere gebeurtenissen, die soms wel soms niet bewust, opgemerkt worden. Aan het einde van dit gebeuren is iets anders, veranderd, omgevormd.
Transformatie in de context van de contemplatie is geen actief veranderen, maar een actief-passief gebeuren van transformatie. Het transformatieproces in de zin van bevrijding van de illusie dat we van God zouden gescheiden zijn, beleven we in de meditatie o.a. als het genezen worden van levenslange kwetsuren, of als een zich bevrijd weten van vastgeroeste gedragspatronen of karaktereigenschappen die ons verhinderen om echt te leven, of nog doorheen een proces van verzoening waarbij we ervaren of tenminste vermoeden dat wij altijd al met, bij en in God waren en zijn – en God altijd reeds met en bij en in ons.
Het actieve deel bestaat erin om zich ontvankelijk te maken, het toe te laten en het te doorstaan. Daardoor wordt de weg van transformatie naar transcendentie toe als een persoonlijk genezingsproces ervaarbaar. Dit moet echter niet bewust gebeuren. En men moet zichzelf niet per se als verlost aanvoelen. Het mag ook onopgelost blijven.
Op deze manier kunnen we het doorleven van een innerlijk helings-, bevrijdings- of verzoeningsproces begrijpen als een integraal bestanddeel van het verlossingsgebeuren. Het is weliswaar niet het doel van het mediteren – dat is de openbaring van de Christuswerkelijkheid –, maar toch stellen we ons open voor het transformatieproces, zodat het in het hier en nu verlossing kan bewerken. Dit vergt overgave.
Elke mens die een beetje geheeld wordt, draagt bij aan de verlossing van de hele wereld. De duisternis zal niet helemaal verdwijnen, maar het maakt een groot verschil of er een kaars brandt of niet. Net in de huidige tijd van toenemende (politieke) polarisering, radicalisering en oorlogen kan meditatie die de aanwezigheid van God in de wereld laat oplichten ook een dienst zijn aan de vrede.
Indien men (ook onbewust) het contemplatieve gebed gebruikt voor een individueel helingsproces, als men het dus tot doel maakt van het mediteren, dan maakt men zich los van de uiteindelijk écht werkzame bewustzijnswording, namelijk dat wij ten diepste niet van God gescheiden zijn. Alleen echter op grond van deze verbinding kan verlossing gebeuren. Zonder deze verbinding blijft men in het slechtste geval in de eigen smart hangen en versterkt men zelfs de negativiteit.
De boven gestelde “controlevragen” – Ben ik bij God? Ben ik bereid om te doorlijden wat zich aanbiedt? – kunnen in deze zin ook omgekeerd worden: zoek ik alleen maar de ervaring van transcendentie en mediteer ik aan mezelf voorbij (ik stel me niet open voor het transformatiegebeuren), dan is dit de ene gracht aan de kant van de weg.
Of: mediteer ik alleen maar omwille van mijn eigen “verlossing” in de zin van bevrijding en heling, zonder mij bewust te zijn van de bredere context, namelijk dat het om Jezus Christus gaat en zijn openbaring? Dan gaat de gerichtheid op de transcendente oergrond verloren. Dit zou dan de andere gracht zijn aan de kant van de weg.
Een waardevolle beschrijving van deze samenhang en een verhelderende differentiëring tussen transformatie en transcendentie vinden we bij Stiegler (‘Das Heilungspotential der Gegenwart’ in Kontemplation und Mystik, 1/2022, blz. 14).
Vanuit een therapeutisch perspectief ontwikkelt hij de thematiek over “het helingspotentieel van het hier en nu”: “Er is een verschil tussen transcendentie en transformatie. Wie zich zo ver in het hier en nu waagt dat de ruimte van het bewustzijn zich opent, die duikt in het domein van de transcendentie. We ervaren onszelf boven de alledaagse ervaringen en aan gene zijde van onze oppervlekkige identiteit als mens. Over transformatie spreken we echter wanneer oude gevoelscomplexen dermate veranderen dat het natuurlijke en gezonde potentieel van onze ziel en van ons mens zijn zich openbaart.
We negeren ons menszijn niet, maar we vormen de vaste stramienen van onze ziel en onze geest op dergelijke wijze om dat het gezonde en het heilzame in ons naar boven kan komen en we daar ook in de toekomst van kunnen leven, … Idealiter vullen beide wegen elkaar aan en leiden ze ertoe dat negatieve “inprentingen” omgevormd worden en nieuwe heilzame (neurale) netwerken zich opbouwen en dat we tegelijkertijd alsmaar dieper ervaren wie wij op existentieel niveau zijn”.
Geheeld worden opent ook het bewustzijn van wie wij ten diepste zijn en zodoende van verlossing. Overigens is het niet altijd gemakkelijk om in de gerichtheid en de aandacht tegelijk ook open te blijven voor het innerlijk gebeuren of om altijd weer aandachtig en gericht te blijven bij het ervaren van sterke innerlijke bewegingen.
Gerichtheid legt het accent op transcendentie – de ruimte van het gewaarworden opent zich doordat de goddelijke aanwezigheid zich in het hier en nu manifesteert. De bereidheid om te doorlijden beklemtoont dan weer de transformatie – in de ruimte van het gewaarworden stellen we ons open voor de ervaringen die opkomen, ervaringen van schoonheid, maar ook van duisternis. In die ruimte laten we ons hele zijn door God raken.
Beslissend is het EN: transcendentie doorheen transformatie, niet slechts een gerichtheid op transcendentie die transformatie veronachtzaamt. De ervaring van transcendentie alleen verlost niet! Er geschiedt geen verlossing buiten onszelf om – alles, wat de goddelijke werkelijkheid in de weg staat, moet en wil in ons omgevormd, getransformeerd worden. Er bestaat weliswaar een directe weg naar transcendentie, maar daarin wordt niets verlost (tenzij het voordien al verlost was geweest).
De mens voelt zich dan wel losgerukt, maar niet verlost. Doorlijden zonder contact met de goddelijke aanwezigheid verlost evenmin. Alleen wat in het contact met de liefde van God doorleden wordt, wordt verlost. In elk geval volstaat het om zich met alles wat nog onverlost is open te stellen voor de werking en de genade – het mag voor ons begrip of aanvoelen nog steeds onverlost zijn!
Wie begint met het zich oefenen in het contemplatieve gebed, zal zich vooreerst strikt toeleggen op de waarneming van het lichaam, de adem, de handen en de naam van Jezus. Hij of zij zal daarbij de innerlijke bewegingen mogelijks alleen dan waarnemen als ze zich heel duidelijk manifesteren en zich op de voorgrond dringen.
Aanvankelijk wordt zelfs aangemoedigd om aan deze innerlijke bewegingen geen aandacht te besteden, net om zich erin te oefenen zich hierdoor niet te laten overweldigen. In deze fase is het correct en van grote waarde om de gerichtheid bijzonder te beklemtonen. Men gaat op zoek naar “ankers” om in het innerlijk beleven en in de vloed van gedachten een houvast te vinden.
Geleidelijk aan komt het erop aan om de aandacht niet star op deze ankers te richten, maar ze als “poorten” te benutten voor het bewustzijn van het eigen innerlijk hier en nu. Men doet dit door aandacht te schenken aan wat in het innerlijk opkomt en aan wat er zich aandient als een echo van het bidden met de naam Jezus.
Anders geformuleerd: de aandacht veronachtzaamt het innerlijk gebeuren niet, maar opent zich voor het waarnemen van de innerlijke echo. Dan wordt het geschenk van de onmiddellijke ervaring van transcendentie mogelijk en/of ontvangen we het geschenk van de transformatie waar we ons zo goed mogelijk voor openstellen.
Het proces van transformatie naar ons ware zelf brengt ons in aanraking met het geheim van de incarnatie, van de menswording van Gods Zoon. Het is de weg van de verlossing waarvan de brief van Paulus aan de Filippenzen getuigt: “Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zichzelf vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven…” (Fil 2, 6-9a).
Zoals God in Jezus helemaal mens is geworden, betekent navolging dat ook wij helemaal mens worden zoals we door God geschapen werden. De weg van het één worden met de goddelijke oergrond leidt ons dus naar onszelf. Het is daar waar we het donkere en zware moeten toelaten en het heden in ons werkzaam laten zijn. Wat we rationeel reeds wisten of als buikgevoel vermoedden, moet ons werkelijk “ter harte gaan” – en dus niet door weliswaar voor transcendentie te kiezen, maar zonder dat men uiteindelijk geheeld wordt. Dan kan het licht van Christus niet doorbreken.
We worden uitgenodigd om de neerdalende weg van Gods Zoon te volgen om door ons heen de weg weer omhoog naar de Vader op te klimmen. We worden dan niet slechts “van” onze duisternis verlost (zodat ze “weg zou zijn” en wij “van haar af zouden zijn”), maar wel “doorheen” en “met” onze duisternis – dat wil zeggen getransformeerd. Dan kan gebeuren wat de heilige Athanasius de Grote beschrijft: “God wordt mens, opdat de mens vergoddelijkt wordt”.
Het transformatiegebeuren is een afdalende beweging naar onszelf, naar onze eigen menswording opdat dan in een opklimmende beweging het één worden met de goddelijke werkelijkheid onthuld wordt.
De hierboven beschreven afdalende beweging van Jezus voltrekt zich in de zogenaamde kenosis, de volledige ontlediging, zelfs van de eigen goddelijkheid. Dus komt het erop aan om zich in deze beweging voor de leegte te openen, een leegte waarin we zelfs het doorlijden van de smart achter ons laten en ons aan de leegte blootgeven.
Op het eerste zicht kan dit een contradictie lijken, want “natuurlijk” willen we geen smart doorlijden. Toch kan de ervaring van leegte omwille van haar vervreemdend karakter ons aanvankelijk als onaangenamer en schrikwekkender overkomen dan het doorstaan van onze bekende en nog onontdekte duisternis. We willen van hen verlost worden, maar we zijn er wel mee vertrouwd.
Leegte daarentegen kennen we niet, ze is ons vreemd en maakt ons onzeker. Soms dient het lijden als beschutting tegen de leegte, als een middel om de ervaring van ontlediging van onze eigen “goddelijkheid” uit de weg te gaan. “Ervan af willen zijn” is echter nog geen beaming van de leegte. Als we echter zelfs op deze leegte ingaan, dan kan God ons met zijn werkelijkheid vullen. Dan kan het menselijke en het goddelijke zich wederkerig doordringen en transformeert God ons in ons menszijn.
Het verlossingsgebeuren zelf laat het licht van Christus werkzaam worden en tegelijk bewerkt deze goddelijke werkelijkheid het verlossingsgebeuren. Afhankelijk van de weg die het licht van Christus zoekt, is ofwel meer aandacht voor de gerichtheid vereist dan wel voor de bereidheid om te doorlijden. Het gewicht kan verschillen, maar altijd dient men beide voor ogen te houden om zo de balans te bewaren.
Indien kwetsuren, krenkingen, karaktertrekken ons vermogen tot gerichtheid blokkeren, dan moet men daar niet aan voorbij mediteren, maar is een bewust in zich toelaten nodig, een zich openstellen voor de pijn en hen in gerichtheid tegemoet gaan, zo goed als mogelijk. Als we echter bezig zijn “verder te doorlijden” om onszelf te verlossen, dan komt het erop aan om behoedzaam, maar beslist, opnieuw de gerichtheid te zoeken. Niets moet opgelost worden!
In elk geval laten we onze natuurlijke “ankers”, lichaam, adem, handen en de naam tot poorten worden voor een bewustzijn van wat zich doorheen onze gerichtheid in ons innerlijk beweegt en houden we ons bereid om de echo ervan waar te nemen. Zo laten we het heden in ons inwerken, ofwel doordat ervaringen van transcendentie ons geschonken worden, ofwel doordat we innerlijke bewegingen tegemoet treden, ofwel als er naar ons aanvoelen niets gebeurt door gewoon trouw altijd opnieuw naar het hier en nu terug te keren.
In de begeleiding komen we gelijksoortige uitdagingen tegen als in de meditatiepraktijk. Ook hier is het niet altijd duidelijk of we er goed aan doen om in te gaan op de sterkere innerlijke bewegingen dan wel of we beter naar “de gerichtheid blijven verwijzen” en de retraitant aanmoedigen om zich niet verder bezig te houden met wat er tijdens de meditatie opkomt.
Er is geen sluitend principe dat bepaalt wat de inhoud of hoe kort of lang het begeleidingsgesprek moet zijn. Het hangt steeds af wat in de gegeven situatie het meest helpt om de werkelijkheid van Christus te laten oplichten. De betekenis van het begeleidingsgesprek voor de individuele begeleiding hangt dus evenzeer af van het uiteindelijke doel van de contemplatie zoals dat ook het geval is bij de balans tussen bewuste gerichtheid en bereidheid tot doorlijden.
De vraag is steeds: wat helpt er nu meer opdat Christus kan oplichten, de versterking van de gerichte aandacht of het aanmoedigen om de weg van het doorlijden te gaan?
Als het er “alleen maar” om gaat om zich weer op de gerichtheid te focussen, dan kan het gesprek kort zijn. Als er zich echter blokkades voordoen, van welke aard ook, dan kan het een hulp zijn om deze ter sprake te brengen – demonen die met naam genoemd worden, verliezen hun macht. Dan is het begeleidingsgesprek een voortzetting van de meditatie: een actief luisteren kan iemand helpen om alles naar het heden te brengen zodat transformatie kan gebeuren.
De begeleiding verleent hier een vroedvrouwdienst. Dat wat liefde en relatie verhindert te stromen, wordt weggeruimd; of, wanneer deze al lange tijd stromen, focust men daarop en moedigt men aan om zich aan dit gebeuren over te geven. Hier ontvouwt zich “het genezingspotentieel van de begeleidingsgesprekken( binnen de context van de contemplatie.
Dit is niet het eigenlijke doel zoals bij een therapie, maar binnen de context van het verlossingsgebeuren kunnen ze bijdragen aan de verlossende werking van het heden. Hieruit moet ook duidelijk zijn dat de focus noch de duur van het begeleidingsgesprek zich laat afmeten aan datgene wat iemand ooit zelf geholpen heeft.
De hele schepping verlangt vurig naar de openbaring van Gods kinderen (Rom 8, 19). Het contemplatieve gebed is hiertoe één, maar niet de enige bijdrage. De contemplatieve praktijk volgens de methode van Franz Jalics sj, het mediteren zelf, de aanzetten, de luisterrondes en de begeleidingsgesprekken hebben tot doel dat de aanwezigheid van de goddelijke werkelijkheid in ons (en rond ons) in de wereld openbaar kan worden. We mogen ons open stellen voor deze werking – in ons, door ons en met ons.
Bron: Korrespondenz zur Spiritualität der Exerzitien, 2024, nr. 125, p. 76-91.
Vertaling: Guy Dalcq
Nederlandse publicatie: Cardoner 2025-3
De Duitse zuster Johanna Schulenburg zal vanaf 1 mei 2026 de overste zijn van de Midden-Europese provincie van de sterk ignatiaanse Congregatio Jesu (C.J.). Momenteel werkt zij in het Kardinaal König Huis in Wenen, waar zij actief is op het gebied van spiritualiteit en retraites. Daarnaast zet zij zich in voor de vorming van jonge religieuzen en brengt zij haar deskundigheid in als geestelijk begeleidster van synodale processen.

Bekijk alle artikelen van Cardorner