
Hoe verloopt een retraite bij Franz Jalics concreet? Guy Dalcq blikt dankbaar en openhartig terug op twee beklijvende retraites.
Hoe verloopt een retraite bij Franz Jalics concreet? Guy Dalcq blikt dankbaar en openhartig terug op twee beklijvende retraites.
Door Guy Dalcq
In de lente van 1981 – ik studeerde toen als jezuïet filosofie te München – reisde ik voor de jaarlijkse tiendaagse retraite naar Schweiklberg, een prachtige abdij van de benedictijnen in Beieren. Retraitebegeleider zou pater Franz Jalics sj zijn.
Van hem wist ik vaag dat hij in Argentinië onder en voor de armen had geleefd. Na een beklemmende gevangenschap had hij dat land verlaten om in de VS en nu dus in Duitsland retraites te begeleiden. Ik had verder geen idee van wat me te wachten stond.
Vandaar dat ons eerste gesprek voor mij verrassend en zelfs wat humoristisch verliep. Ik herinner het me alsof het gisteren was:
Dit was op zich al verrassend, maar het vervolg was dat voor mij nog meer:
Ten einde raad vroeg ik dan zelf maar: “Pater, wat stelt U zelf voor?”
Kom mee, zei hij vriendelijk, en hij leidde me een paar honderd meter buiten de abdij tot aan een zitbank die uitgaf op de vallei van de Vils die een tiental kilometer verderop in de Donau uitmondt. “Ik stel voor dat je hier op deze bank tien dagen blijft zitten. Kijk naar wat je ziet, luister naar wat je hoort en denk nooit aan jezelf. Als je afdwaalt, neem dan rustig je aandacht weer op. Ik zal hier om de twee dagen even bij je langs komen.”
Dat heb ik dus tien dagen trouw gedaan en om de twee dagen kwam de pater bij me langs. Ik herinner me daarvan nog slechts één gesprek:
En ik voegde eraan toe: ik weet slechts twee zaken met zekerheid, dat God van mij houdt en dat Hij me geroepen heeft. De pater glimlachte instemmend.
Die tien dagen leken me helemaal niet lang en ik heb me in waarheid nooit verveeld. Wel dwaalde mijn aandacht steeds weer af, maar dan keerde ik rustig terug naar de drie zaken die me waren voorgesteld: kijken, luisteren en niet aan mezelf denken.
De lente is mooi in Beieren: een aangename lucht en temperatuur, vogels af en aan, grazende koeien in het weiland en onder in de vallei de glinstering van de Vils.
Slechts één keer begon het te regenen. Ik ging schuilen in de kerk waar iemand zowat een uur lang de kerk stofzuigde, en ik luisterde ook naar het geluid van die stofzuiger en keek naar het interieur van de grote abdijkerk.
Opstaan was om 6u00, gevolgd door een uur yoga in groep en ontbijt. Nadien begaf ik me dus naar het bankje, alleen onderbroken door de maaltijden in stilte in de patersrefter met stevige Beierse kost, recht van de boerderij. Een struise Beierse monnik sprak me ooit met een kwinkslag toe, toen hij mijn ingetogenheid zag: “Niet te snel heilig worden, hé.” Ook die opmerking, die me toen wat goedhartig-triviaal leek, is me om een vreemde reden altijd bijgebleven.
Veel meer dan dit herinner ik me van deze retraite niet meer, tenzij dit: ik had me voordien — en heb me ook nadien – nooit zo gelukkig gevoeld als gedurende die tien dagen! Het was een geluk, niet om iets in het bijzonder, maar om het “zijn”, om God die ik als de diepste realiteit ervoer. Het was geen “euforisch geluk”, maar eerder een geluk dat mijn diepste wezenskern raakte, daar waar God zelf op mij wacht om mij doorheen de hele schepping te beminnen. Ondanks alle wederwaardigheden van het leven – en die hadden zelden een “heilig karakter” – heeft die ene fundamentele zekerheid me nooit meer verlaten.
Een paar jaar later zou ik voor het laatst naar Franz Jalics gaan voor de tiendaagse retraite. Hij had inmiddels een vaste stek gevonden in Gries, Oberfrankenland. Ik had de tien dagen al geruime tijd op voorhand ingepland, maar toen het zover was, ging ik er toch met loden schoenen en een bang hart naartoe. Ik dacht immers hopeloos verliefd te zijn en wist daar geen raad mee. Zou ik überhaupt kunnen bidden of zelfs maar één uur niet aan mezelf denken?
Ik meen me te herinneren, maar ben er niet meer zeker van, dat ik dit aan Franz Jalics vertelde, en ik meen me te herinneren dat hij heel rustig bleef en me voorstelde om mijn verliefdheid niet weg te drummen, maar ze een tiental dagen “in de koelkast” te plaatsen. Na de tien dagen zou ik haar er dan weer kunnen uithalen. Ik weet haast zeker dat dit het beeld was dat hij gebruikte.
De retraite was grondig anders gestructureerd dan de vorige keer. Ik zat immers niet langer buiten, maar binnen; niet langer alleen, maar in groep; en niet meer op een bank op een heuvel, maar ruim acht uur per dag geknield op een laag gebedsbankje. Er was ook geen persoonlijke begeleiding meer.
Ook nu begon elke dag met een uur yoga, gevolgd door ontbijt. In Gries werd vegetarisch en uitermate lekker gekookt. Dus geen Beierse Weisswurst meer, noch overvloedige Schinken, maar alle gerechten wel met evenveel liefde en smaak bereid.
In een ruime, aangename en gebalkte ruimte ging ieder – we waren met ongeveer vijftien deelnemers – op een bidkrukje zitten. Pater Jalics vroeg ons alweer drie zaken: te letten op onze ademhaling, te luisteren naar onze handpalmen en niet aan onszelf te denken. Vooral dat ‘luisteren naar de handpalmen’ vond ik opvallend.
Hij stelde voor om steeds in dezelfde houding te blijven, bewegingsloos dus, wat ik behoorlijk moeilijk vond. Als iemand wat te veel bewoog, keek hij even vermanend op. Na elk half uur, richtten we ons op, wandelden in stilte en traag in een kring om vervolgens weer voor het volgende half uur onze houding aan te nemen.
Hij vroeg ons om dagelijks zoveel uur als mogelijk op deze wijze te bidden. Zelf had ik gekozen om acht uur per dag op deze wijze door te brengen. Het moeilijkste daarbij was de pijn die zich allengs in mijn knieën manifesteerde waardoor ik me soms nog moeilijk kon oprichten. Pater Jalics zei dat deze pijn normaal was en een vorm was van concreet doorlijden, net zoals in het ‘echte leven’.
De dag werd onderbroken door één uur flink doorwerken in een zagerij. Het snerpende geluid van de elektrische zagen stak schril af tegen de stilte waarin we ons kort daarop weer begaven. Elke dag gunde ik me een half uur pauze op mijn kamer.
In de vooravond was er een eucharistieviering die we eveneens geknield meemaakten. Alle woorden en gebeden hadden voor ons een bijzondere en heldere betekenis. Er was ook een luisterronde waarbij iedereen om beurt de gelegenheid kreeg om iets te zeggen wat bij hem of haar in het gebed was opgekomen.
Hoe anders ook, toch was ook nu de vreugde het alles overheersende gevoel. Bij het afscheid vroeg pater Jalics ons om drie uur per dag te blijven bidden. Dit zou noodzakelijk zijn om Gods aanwezigheid in ons leven bespeurbaar en werkzaam te laten blijven. Ik heb me maandenlang aan die goede raad gehouden en merkte dat ik ondanks die drie uur gebed meer tijd over had dan vroeger. Vlak voor het afscheid keek ik natuurlijk nog even naar ‘de koelkast’, maar merkte dat die … leeg was.
Tot zover dit beknopte ervaringsbericht. Inmiddels is bijna een halve eeuw verstreken, maar ik blik er met heel grote dankbaarheid op terug en vergeet nooit de bijzondere, innemende en liefdevolle blik waarmee Franz Jalics ons uitgeleide deed. Die blik hield toen, maar ook nu nog, de belofte in dat God ons altijd trouw blijft, gratuit en eindeloos geduldig. Hij wel.
Guy Dalcq, germanist van opleiding, was jarenlang verbonden aan het Sint-Barbaracollege in Gent als leraar godsdienst en directeur. Als expert in ignatiaanse pedagogiek was hij bovendien medeauteur van het pedagogisch project van de Vlaamse ignatiaanse scholen.
Dit artikel verscheen in Cardoner 2026/3

Bekijk alle artikelen van Cardorner