
De Contemplatieve Oefeningen volgens Franz Jalics sj zijn wereldwijd succesvol. In hoeverre zijn ze ook ignatiaans?
De Contemplatieve Oefeningen volgens Franz Jalics sj zijn wereldwijd succesvol. In hoeverre zijn ze ook ignatiaans?
Door Javier Melloni Ribas sj
Sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw is de methode van contemplatief gebed, voorgesteld door de Hongaarse jezuïet Franz Jalics (1927–2021), steeds meer verspreid geraakt binnen de jezuïtisch-ignatiaanse kring. Ze wordt overal ter wereld aangeboden in retraitehuizen en spiritualiteitscentra van de Sociëteit van Jezus.
Waaraan beantwoordt dit fenomeen? Hoe moeten we het plaatsen? Is er sprake van ignatiaanse oefeningen? Gaat het om een syncretische methode tussen het christendom en oosterse praktijken? Waarom spreekt het sommige christenen, of zelfs post-christenen, aan?
Zonder twijfel sluit het contemplatieve pad van Franz Jalics aan bij een mondiale context waarin oosterse tradities zijn opgekomen als tegengewicht tegen de drukte en het lawaai in onze westerse cultuur. Binnen het christendom, en in het bijzonder binnen de katholieke kerk, kunnen we gelijkaardige praktijken terugvinden.
Voordat ik uitleg waaruit deze methode of weg bestaat (Franz Jalics prefereerde de laatste term), wil ik eerst vertellen hoe ik ermee in contact kwam. Mijn ervaring van de dertigdaagse Oefeningen tijdens het noviciaat was zeer belangrijk, en dat gold ook, zij het in mindere mate, voor de dertigdaagse retraite tijdens mijn tertiaat in India.
De moeilijkheid ondervond ik vooral bij de jaarlijkse achtdaagse retraites tijdens de vormingsjaren. Na de tweede of derde keer vroeg ik me af of het echt nodig was om elk jaar opnieuw de vier weken te doorlopen, wanneer men zich misschien in één specifieke week bevond. En vooral vroeg ik me af waarom niemand ons werkelijk binnenleidde in de Contemplatie om tot liefde te komen. Deze werd meestal slechts terloops vermeld of vaag aangestipt op de laatste dag.
Wat gebeurt er wanneer iemand zich geroepen voelt om binnen te treden in wat zich ontvouwt na het uitspreken van: “Neem Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil…”? Wanneer je alles hebt aangeboden — wat blijft er dan nog over? Mijn vraag was: wat als het zogezegde eindpunt juist een beginpunt zou moeten zijn?
Maar wie begeleidt dat pad? De geschriften van Spaanse mystici en andere spirituele tradities boden mij enige troost, maar ze spraken enkel over de vruchten van het gebed, niet over hoe men moest bidden om binnen te treden in de stille via unitiva. Vandaar mijn aantrekking tot het oosten (vooral tot de meditatieve praktijken van yoga en zen), omdat die een stapsgewijze toegang gaven tot die Aanwezigheid waarin alles tot stilte komt. Vandaar ook mijn verzoek om mijn derde noviciaatsjaar in India te mogen doen (1998–1999); wat mij werd toegestaan.
Toen ik echter werd bestemd voor Manresa, de bakermat van de Geestelijke Oefeningen, zag ik duidelijk in dat het geen zin had om de Grot te “verindischen” of te “verboeddhisten”, maar dat ik een methode moest vinden passend in onze eigen christelijke traditie, en meer bepaald de ignatiaanse.
Na tien jaar de dertigdaagse retraite en achtdaagse sessies te hebben begeleid op basis van teksten van verschillende christelijke mystici (Teresa van Ávila, Johannes van het Kruis, Meester Eckhart e.a.), kwam Franz Jalics in de zomer van 2008 naar Manresa om zijn contemplatieve oefeningen te geven. Ik had zijn boek tien jaar eerder gelezen, maar de methode nooit in praktijk gebracht. In de Grot van Ignatius zelf ontving ik waar ik al decennialang naar op zoek was.
Sindsdien zijn dit de enige oefeningen die ik begeleid. Door de jaren heen zijn de groepen gegroeid en sinds 2022 hebben we ons georganiseerd in de vereniging “Camino de contemplación” (Weg van contemplatie). De richtlijnen die we voorstellen, zijn ontleend aan Ejercicios de contemplación, het meest volwassen werk van Franz Jalics dat in 1994 in het Duits verscheen en in 1998 naar het Spaans werd vertaald.
Alvorens de concrete praktijk uit te leggen, is het belangrijk te verduidelijken dat we hier te maken hebben met een concentrische opvatting van de mens, die verschilt van die van de Geestelijke Oefeningen, welke van aristotelisch-scholastische aard is. Deze laatste is gebaseerd op de tweedeling lichaam/ziel en op de werking van de drie vermogens van de ziel (geheugen, verstand en wil), waarvan elk een lagere en een hogere dimensie heeft.
In plaats van een beweging van beneden naar boven (wat overeenkomt met een theologie die van boven naar beneden werkt), gaat het hier om een weg die loopt van het uiterlijke en perifere naar het innerlijke en diepe, waar in de kern de goddelijke aanwezigheid huist — met andere woorden, een theologie die de transcendentie binnen de immanentie plaatst.
Het geestelijke landschap dat voortkomt uit een weg van beneden naar boven verschilt van dat van een weg van buiten naar binnen. De contouren en wetten zijn anders. Er is sprake van een primaat van de waarneming boven de reflectie en de gevoelens, omdat men vertrekt vanuit het lichamelijk bewustzijn — de meest uiterlijke dimensie — om zich op weg te begeven naar het Centrum.
De overgang van denken naar waarnemen vormt het eerste keerpunt: denken bevindt zich in het hoofd, terwijl waarnemen in het lichaam plaatsvindt. Gedachten — en de gevoelens die ermee samenhangen — bewegen tussen het verleden (herinnering) en de toekomst (verwachting), terwijl waarneming enkel in het heden mogelijk is.
Waarnemen en aanwezig zijn in het heden vinden gelijktijdig plaats. Het lichaam leeft in het hier en nu; waarbij de Aanwezigheid zich in het heden openbaart. Dit vraagt om een leerproces dat niet gemakkelijk of onmiddellijk is.
De eerste oefening die wordt voorgesteld, is om contact te maken met de natuur, haar te aanschouwen en te ontvangen zoals ze is: een bloem, een blad, de schors van een boom, een steen, het kletteren van een rivier, enzovoort — en daar lange tijd bij te blijven zonder te interpreteren wat men ziet of voelt, enkel ontvangend wat zich aandient. Gaandeweg ontstaat er een nieuwe relatie met de dingen.
Deze oefening is zeer belangrijk, aangezien ze ook tijdens de pauzes van de volgende dagen verder wordt beoefend. De meditaties in de zaal wisselen af met pauzes in de natuur, die een gelegenheid bieden om de waarneming verder te openen, zonder dat mentale interpretaties ertussen komen. De chi kung-oefeningen vroeg in de ochtend worden aangeboden om het lichamelijke en energetische waarnemingsvermogen wakker te maken.
Omdat de houding tijdens de meditatie stil moet zijn, is het erg belangrijk om hier aandacht voor te hebben. Stilte betekent niet stijfheid, maar stabiliteit en volharding. Een vergelijking: om het water in de kruik tot rust te brengen, moet deze stevig zijn en onbeweeglijk staan. Allerlei deeltjes zakken langzaam naar de bodem en het water wordt helder.
Daarom is het goed om niet te bewegen, want lichaamsbeweging veroorzaakt onrust in de geest. Het lichaam leren beluisteren is een kunst: een ongemak herkennen en de oorzaak ervan, weten wanneer men een houding moet aanpassen bij de volgende meditatie.
Men moet leren reageren zonder te forceren, maar ook zonder toegeeflijkheid – observerend en integrerend wat er gebeurt in de verschillende delen van het lichaam, in de zelfaanwezigheid, om zo vooruit te gaan in de stabiliteit en volgehouden rust van de houding. Identificeer je niet met het ongemak, maar observeer het vanuit een “ander” perspectief. Dit alles is op zichzelf al deel van de weg.
De ademhaling is het volgende steunpunt dat ons naar het heden brengt. Elke inademing en uitademing gebeurt in het hier en nu. Men ademt geen lucht van morgen in, noch die van gisteren; zelfs niet die van over vijf minuten. Men ademt in elk moment — en het is precies deze vriendelijke, maar niet gemakkelijke aandacht die ons in het heden brengt en ons daarin verankert.
De ademhaling wordt niet geforceerd of aangepast, ze wordt alleen maar waargenomen. Men opent zich om de nieuwe lucht te ontvangen en laat los bij het uitademen, om de oude lucht te laten gaan. Dit is de kunst van het leven zelf: leren ontvangen en leren loslaten. Alles zit daarin besloten. Jezus ontving zich volledig van de Vader en gaf zich volledig aan Hem.
Het gaat hier om de intra-trinitarische in- en uitademing, waarbij beide de Geest inademen. De aandacht vasthouden bij iets dat zo eenvoudig en tegelijkertijd zo vervullend is, is bijzonder moeilijk, omdat wij innerlijk verdeelde wezens zijn. Daarom zijn er nog twee steunpunten.
De aandacht voor de handen en voor hun positie is een van de meest specifieke aspecten van deze weg. De twee voorgaande steunpunten (houding en ademhaling) zijn gemeenschappelijk aan alle oosterse praktijken, en elk kent een specifieke handpositie. Hier wordt voorgesteld om aandacht te geven aan de sensaties in het midden van de handpalmen, die op harthoogte evenwijdig worden gehouden met de armen open. Dit bevrijdt een energiestroom die maakt dat iemand niet langer de handen draagt, maar dat zij de persoon dragen.
Het vermogen om dit waar te nemen is een teken dat men voortgang boekt. Als de houding vermoeit of er fysieke ongemakken zijn, kunnen de handen op de schoot worden gelegd, waarbij een kleine ruimte tussen de handpalmen wordt behouden om de stroom die uit het midden van de handpalmen komt te kunnen blijven waarnemen.
Wanneer de drie voorgaande steunpunten verankerd zijn via de lichamelijke waarneming — opnieuw: dit kan alleen in het heden plaatsvinden — is het moment aangebroken om de herhaling van de heilige naam te introduceren. Voor ons christenen is die naam uiteraard die van Jezus of van de Vader. Maar aangezien het pad dat wij voorstellen openstaat voor iedereen die het transcendente zoekt, stellen wij voor dat ieder luistert naar de naam of het Woord dat hij of zij ervaart als verbindend met het Absolute.
Op dit punt wijk ik iets af van wat Franz Jalics in zijn boek aangeeft. Hij stelt voor om enkel “Jezus” uit te spreken bij de uitademing (in overeenstemming met het incarnatieproces) en “Christus” bij de inademing (in overeenstemming met de opwaartse beweging van de verrijzenis). Ik had de gelegenheid dit met hem te bespreken en hij zei dat hij deze opening goed vond, omdat we in een andere tijd leven dan toen hij begon.
De naam of het Woord, ook mantra genoemd, zal vanaf dat moment bij elke ademhaling worden herhaald en kan je hele leven meegaan. De voortdurende inademing en uitademing van de naam van Jezus, van Christus, van Vader, Abba, Jeshua, of van het ontvangen Heilige Woord is wat het binnentreden in de Stilte mogelijk maakt. Het Woord is de extase van de Stilte, en via dat ene Woord kan men terugkeren naar de Bron.
Het Heilige Woord of de naam wordt onophoudelijk herhaald, maar op sommige momenten kan het zwijgen, en dan blijft enkel het stil aanwezig zijn in zijn Aanwezigheid.
Het feit dat men samen mediteert is een ander kenmerk dat deze weg aantrekkelijk maakt. Men bidt niet alleen, maar in gemeenschap. Ik ben van mening dat dit punt belangrijker is dan het op het eerste gezicht lijkt. De ignatiaanse oefeningen ontstonden aan het begin van de moderniteit, bij de opkomst van het besef van het unieke en onherhaalbare subject dat op persoonlijke en individuele wijze de wil van God zoekt. Dit is een van de sleutels van de ignatiaanse spiritualiteit.
Maar nu leven we in een tijd waarin het individualisme hoogtij viert; op het tegenovergestelde uiterste van Ignatius’ tijd. Zonder twijfel is er een tijd voor het persoonlijke en niet-overdraagbare luisteren naar de wil van God, maar het jaarlijks versterken van de individualiteit kan averechts werken.
De contemplatieve meditatie of het gebed dat samen wordt gedaan, zo’n zes uur per dag, schept een gemeenschapsgevoel dat zeer noodzakelijk is in onze hedendaagse wereld. Samen bidden en aan het eind van de dag delen hoe de meditaties zijn verlopen, creëert een diepe verbondenheid. Wat gedeeld wordt, zijn geen ideeën of interpretaties van wat men heeft beleefd, maar eenvoudigweg de ervaringen tijdens de meditatie-uren: van rugpijn (waarbij men moet nagaan of die door de houding komt of een diepere betekenis heeft) tot beelden die uit het onderbewuste opkomen.
Wanneer men deelt wat men beleefd heeft, wordt de stilte of het persoonlijke proces niet onderbroken, maar juist verrijkt. Als er daarentegen vanuit het verstand wordt gesproken, met interpretaties of abstracte, algemene overwegingen, dan ontstaat er ruis en treedt er snel vermoeidheid op. De dag wordt afgesloten met een eucharistieviering, waarin Christus — het Woord dat voortkomt uit de Oorspronkelijke Stilte (de Vader) — Lichaam wordt, en wij worden in Hem opgenomen door de communie.
Tot zover de uitleg van de methode. Hierna volgen enkele overwegingen over de relatie ervan met de ignatiaanse oefeningen.
In zijn boek presenteert Franz Jalics het proces in tien etappes, die overeenkomen met de tien dagen van de retraites die hij gaf. Hoewel de eerste dagen vooral methodologisch van aard zijn — met de introductie van de eerste steunpunten —, laten de volgende dagen zien dat we te maken hebben met een “methode en volgorde” (GO 2) waardoor de kernonderwerpen op een andere manier aan bod komen.
De vier weken van de Geestelijke Oefeningen geven vier fasen aan in het proces die verband houden met de drie klassieke wegen (vgl. GO 10): de Eerste week met de via purgativa, dat wil zeggen het bewust worden van eigen zonden en obstakels; de Tweede week met de via illuminativa en het navolgen van Christus; de Derde week met het lijden van Christus en de wereld; en de Vierde week met de verrijzenis en de uiteindelijke beschouwing over de wereld.
Deze lineaire opbouw wordt versterkt door de gebeden die bij elke week horen en die hun bedoeling verduidelijken.
Op het pad van de contemplatie wordt geen lineaire structuur nagestreefd, noch ontstaat die vanzelf. Dat betekent echter niet dat er geen proces gaande is: dit voltrekt zich volgens de innerlijke tijd en de levensloop van elke retraitant. Naarmate geest en gevoel tot rust komen, borrelen thema’s op die nog verwerkt moeten worden. Dit kan leiden tot emotionele ontladingen – in de oosterse meditatie samskara’s genoemd – die men leert ontvangen zodra ze zich aandienen.
Het pad dat Jalics in zijn boek beschrijft, is – hoewel archetypisch – in wezen autobiografisch. Op de vijfde dag verschijnt het lijden, en pas op de achtste dag komt het vergeven aan bod. Wat betekent dat? Niet dat dit voor iedere retraitant zo moet verlopen, maar dat Jalics — vertrekkend vanuit zijn eigen ervaring — richtlijnen biedt zodat ieder zijn eigen proces kan herkennen en het op zijn eigen tempo kan doorlopen. Dat het vergeven pas op de achtste dag verschijnt, betekent niet dat dit essentiële thema (bij Ignatius in de Eerste week) uitgesteld wordt tot het einde, maar dat de diepste kwesties pas opduiken wanneer men er rijp voor is.
Het proces van verdieping en openheid duurt jaren; het onderbewuste en de Geest werken hierbij samen. Op het contemplatieve pad, net als in de Geestelijke Oefeningen, kan men zich enkel beschikbaar stellen.
Teruggrijpend op de eerdergenoemde concentrische antropologie onderscheidt Jalics drie lagen in de mens: in de buitenlaag bevindt zich het sociale personage waarmee we ons tonen aan God, onszelf en anderen; in het diepste binnenste bevindt zich de gezonde of lichtvolle kern, onze essentie; en daartussen ligt wat hij de donkere laag noemt — ook bekend als de schaduw. Daarin is alles opgeslagen en verstopt wat we aan onszelf afwijzen, inclusief de pijn die dat veroorzaakt.
Men moet door die donkere laag heen om de gezonde kern – het woord dat hij gebruikt is verlossen – te bevrijden. Daar bevindt zich de gekruisigde Christus, die het lijden van de mensheid en van ieder individu transformeert. De retraitant, die onophoudelijk de naam van Christus Jezus uitspreekt (of het heilige Woord dat men in zichzelf hoorde), wordt in zijn diepste pijn verlost, in de mate waarin hij die pijn durft erkennen. Zo wordt de diepste kern van de geest die wij in ons dragen beetje bij beetje vrijgemaakt en voltrekt zich het proces van christificatie.
Franz Jalics ging expliciet op deze kwestie in, in twee artikelen die voortkwamen uit een aantal studiedagen georganiseerd door de Duitse jezuïetenprovincie in de jaren 90, toen net zijn meest volwassen werk, Contemplatieve oefeningen (1994), uitkwam. Daar legde hij uit hoe hij de continuïteit van zijn benadering met de klassieke Geestelijke Oefeningen zag: hij plaatste ze op de via unitiva die zich opent na de Contemplatie om tot liefde te komen, en bracht ze ook in verband met de derde manier van bidden (GO 258-260).
De eerste manier (GO 238-243) bestaat uit het overwegen van de tien geboden, de hoofdzonden, de drie vermogens van de ziel en de vijf lichamelijke zintuigen, wat verband houdt met de Eerste week en de via purgativa; de tweede manier (GO 244-245) bestaat uit het overwegen van de woorden van het Onzevader, het Weesgegroet, de Geloofsbelijdenis, het Anima Christi, enz., en staat in verband met de Tweede week en de via illuminativa; en de derde manier (“bidden tussen twee ademhalingen in” (GO 258-260)) is verbonden met de via unitiva.
Maar dit is slechts een eerste benadering. De kwestie is dieper en complexer. Wat is het onderscheidende kenmerk van de ignatiaanse oefeningen? Volgens mij is dat de verbinding die tot stand komt tussen God, de retraitant en de wereld via het maken van de keuze. Vanuit de contemplatie van de persoon van Jezus (vragen om “innerlijke kennis van de Heer, die voor mij mens is geworden, om Hem meer lief te hebben en te volgen” (GO 104).) wordt de retraitant gevormd naar zijn beeld door de levenskeuze die hij zal maken. De volgorde is: kennis – liefde – navolging.
Aan het einde van de Geestelijke Oefeningen houdt Christus op object van contemplatie te zijn en wordt Hij de Plaats van waaruit men contempleert en zich aanbiedt aan God en de wereld. In het “Neem Heer, en aanvaard” klinkt het “neemt en eet” van Jezus in de eucharistie door. De retraitant geeft zich over aan Christus vanuit Christus, door alles wat hij is aan te bieden: “mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, alles wat ik heb en bezit”, zodat enkel zijn “liefde en genade” overblijven.
Deze uiteindelijke overgave is het begin van een levenswijze en kan ook het begin worden van een nieuwe manier van bidden, waarin het discursieve van geheugen, verstand en wil tot zwijgen komt in het “alles is van U, ik geef het U, Heer”.
We kunnen stellen dat er in de contemplatieve oefeningen een verschuiving plaatsvindt van de centrale focus op de navolging van Christus in de Tweede week – met de daaruit voortvloeiende keuze – naar de Contemplatie om tot Liefde te komen, waarin Christus geïnterioriseerd is om te leven in een permanente staat van overgave.
Ignatius ontwikkelt niet de manier van bidden die daaruit zou kunnen voortvloeien, maar het valt niet te ontkennen dat het ignatiaans is dat de Geestelijke Oefeningen daar hun hoogtepunt vinden. Hoe verder te gaan?
Gedurende vijf eeuwen heeft de jezuïtisch-ignatiaanse traditie zich sterker vereenzelvigd met de praktijk om jaarlijks de vier weken van de Oefeningen te hernemen, wat volkomen zinvol is – zoals we jaarlijks ook het liturgisch jaar herhalen – omdat die herhaling verdieping betekent. Maar er is ook een andere mogelijkheid, aanwezig in de beginjaren van de Sociëteit van Jezus, al werd die met wantrouwen bekeken.
Ik bedoel de gebedsvormen van stilte, rust of inkeer, voorgesteld door Antonio Cordeses (1518-1601) en Baltasar Álvarez (1533-1580), Antonio Ruiz de Montoya (1585-1652), Louis Lallemand (1578-1635), Jean-Joseph Surin (1600-1665), enzovoort – tot in de 20e eeuw met Hugo Enomiya Lassalle (1898-1990) en Franz Jalics.
De Weg van de stilte is een roeping. Het is iets dat men niet kan opleggen, noch forceren, maar het mag ook niet verboden worden, en het is jammer dat het argwaan oproept. Wanneer een bepaalde drempel is overschreden, is er geen weg terug. Dat gebeurt bij het gebed zonder beelden, teksten of woorden. De Stilte heeft haar eigen weerklank en haar eigen wetten.
De katafatische weg wordt een apofatische weg, en dat beïnvloedt de manier waarop men zich tot God verhoudt. Er opent zich de weg van de non-dualiteit, zoals aanwezig bij onze mystici, en er ontstaat een verwantschap met de wijze waarop men in oosterse wegen God of het Absolute begrijpt; hetgeen onrust kan veroorzaken.
Men verliest ongetwijfeld houvast en men moet door een donkere nacht, maar daarna opent zich een ander landschap. Het is de overgang van het rijk van de vorm naar het rijk van de vormeloosheid. Wie die roeping voelt, kan niet meer terug, maar gaat verder op die niet-Weg, die enkel uit Aanwezigheid bestaat – soms in de vorm van afwezigheid.
De ignatiaanse geestelijke oefeningen zijn bedoeld om tot een keuze te komen en hebben hun meest eigen en specifieke plaats wanneer men op zoek is naar Gods wil voor het eigen leven. De contemplatieve oefeningen, daarentegen, zijn bedoeld voor wanneer de fundamentele keuze of levensrichting reeds is genomen, wanneer de meer gevorderde stadia van navolging kunnen leiden tot de contemplatie van zijn Aanwezigheid – voorbij elke passage en voorbij elke tekst –, omdat teksten en passages zijn samengebald in de naam of het Woord dat men herhaalt om binnen te treden in die voorafgaande en navolgende Stilte.
Enomiya Lassalle zei: “Daar waar de Geestelijke Oefeningen eindigen, begint zen.” Hier begrijpen we zen in zijn ruimste betekenis, die vertaald zou kunnen worden als “zitten in zelfverzinking”.
We kunnen echter nog een andere mogelijkheid overwegen. Hoewel dit pad voor mensen uit de ignatiaanse traditie vaak pas in gevorderde stadia verschijnt, gebeurt het dat zij, na jaren contemplatieve oefeningen te hebben beoefend, de behoefte voelen om de klassieke geestelijke oefeningen te doen – de concrete Jezus van de evangeliën te ontmoeten, doordrongen te raken van zijn gebaren en woorden – en bepaalde keuzes in hun leven te maken.
Met andere woorden: de weg van de contemplatie is niet alleen voor ná de keuze, maar kan ook helpen om zich erop voor te bereiden.
Hoe dan ook, ik beschouw het als een teken des tijds dat de meer expliciete contemplatieve en stille dimensie die aanwezig is in de christelijke en ignatiaanse traditie, steeds meer tot uiting komt in onze bezinningscentra – zowel voor de retraitanten die deel uitmaken van de ignatiaanse familie, als voor hen die, na een zoektocht in het oosten, ontdekken dat men ook binnen het christendom kan binnentreden in de stille God.
Lex orandi, Lex credendi, Lex vivendi
We kunnen nog een stap verder gaan en ons afvragen: waar leidt deze manier van bidden toe? Ze vormt een levenswijze: het luistervermogen neemt toe; alles wordt bewuster en langzamer gedaan (wandelen, eten, enz.); men leeft vanuit een grotere stilte; waardeert de passieve dimensie van het leven; krijgt spontaan de neiging om vegetarisch te eten, enzovoort. Dit alles lijkt misschien weinig te maken te hebben met het ignatiaanse charisma, dat meer gericht is op de actieve dimensie van de zending.
Toch zorgt het tijdperk waarin we leven – verzadigd van woorden, prikkels, projecten, enzovoort – ervoor dat deze contemplatieve weg binnen onze eigen gemeenschap opduikt. Niets is vrij van verleiding of afwijking, maar het lijdt geen twijfel dat hier iets betekenisvols ontstaat.
Onze manier van bidden past zich aan onze levenswijze aan, en – omgekeerd – vormt onze levenswijze onze manier van bidden.
Ik neig ertoe te denken dat de laatste decennia van het leven dichter bij deze contemplatieve wijze van bidden komen. Hoewel de leeftijdsfase van 20 tot 60 jaar doorgaans gericht is op zending en actieve navolging van Jezus – met het bijbehorende gebed van de Tweede week – zou deze stille weg kunnen overeenkomen met het naderen van het levenseinde en geschikt zijn om ons voor te bereiden op de uiteindelijke Ontmoeting, zoals ook de Vierde week culmineert in de Contemplatie om tot liefde te komen.
Zoals met alles wat ignatiaans is, moet ieder voor zich onderscheiden wat het meest helpt om zich te verenigen met onze Schepper, en daarmee zijn of haar ziel te redden – dat wil zeggen, haar steeds inniger met Hem te verenigen, tot het punt dat men “één is met de goddelijke liefde” (GO 370), de laatste woorden waarmee de Geestelijke Oefeningen eindigen en waaruit alles verder ontspringt.
Bron: Manresa, vol. 96 (2024), p. 365-375
Vertaling: Wiggert Molenaar sj
Nederlandse publicatie: Cardoner 2025-3
Javier Melloni Ribas is een Catalaans-Italiaanse jezuïet die woont bij de Grot van Sint-Ignatius in Manresa (Catalonië). Hij is gepromoveerd in de theologie en behaalde ook een diploma in culturele antropologie.

Bekijk alle artikelen van Cardorner