
Ontwaken en voor het eerst weer het gezang van de vogels horen. Een Chileens jezuïet belicht de nauwe band tussen de encycliek Laudato Si van paus Franciscus en de contemplatieve oefeningen van Franz Jalics.
Ontwaken en voor het eerst weer het gezang van de vogels horen. Een Chileens jezuïet belicht de nauwe band tussen de encycliek Laudato Si van paus Franciscus en de contemplatieve oefeningen van Franz Jalics.
Door Carlos Alvarez sj
We hebben een bed, we hebben een kind, mijn vrouw!
We hebben zelfs werk, allebei,
en we hebben zon en regen en wind.
En er ontbreekt ons maar één klein ding
om zo vrij te zijn als de vogels:
enkel tijd.
Richard Dehmel (1863 – 1920), in “Der Arbeitsmann” (vrije vertaling uit het Spaans).
Een tijd geleden vertelde een vriend mij dat hij voor het eerst in lange tijd de vreugde had ervaren die ontstaat wanneer je het gezang van de vogels en het gefluister van de vuurvliegjes hoort. Dit gebeurde in de context van enkele contemplatieve oefeningen.
De ruimte van het contemplatief gebed stelde hem in staat om te ontwaken uit een lange geestelijke lethargie, veroorzaakt door een extreem versneld levenstempo, een overdreven werklast, en een soort ongevoeligheid voor de schepping — gekoppeld aan een onvermogen om de dingen, de wereld en de anderen diep te laten resoneren.
Een andere manier om dit te beschrijven is een onvermogen om “de dingen innerlijk te voelen en te smaken”. Misschien ligt hierin de sleutel en de kracht van het contemplatief gebed: de mogelijkheid versterken om in ons opnieuw de schoonheid van Gods liefde — geopenbaard in zijn schepping — te laten weerklinken.
Het potentieel van dit gebed lijkt ons in de huidige context niet alleen belangrijk voor de persoonlijke of spirituele ontwikkeling, maar ook met het oog op de dringende noodzaak van een “ecologische bekering”, die ons in staat stelt om ons in te zetten voor de zorg voor ons gemeenschappelijke huis.
Hoe kunnen we onze waarneming verscherpen? Onder de vele spirituele wegen die ons helpen om werkelijk aanwezig te zijn in het nu, is het contemplatief gebed een bevoorrechte methode. Het is een krachtig tegengif tegen de verstrooidheid waarin velen van ons zich waarschijnlijk bevinden.
De Heer is aanwezig in ons leven, maar wij zijn over het algemeen “doof voor zijn roep”, blind voor zijn vele tekenen van liefde. In het Westen zijn we opgegroeid met een te sterke nadruk op de discursieve dimensie van onze spirituele ervaring. Hoe kunnen we dan de overstap maken van het discursieve naar de waarneming?
Zoals Franz Jalics s.j. terecht opmerkt, ontvouwt de mens zich in drie fasen: waarnemen, denken en handelen. Van zintuiglijke gewaarwording naar denken (analyseren, classificeren, enzovoort) en vervolgens naar handelen, dat de toepassing is van wat we hebben gedacht. Volgens Jalics krijgen in onze moderne samenleving die laatste twee stappen — denken en handelen — disproportioneel veel aandacht, en moeten we ons daarom opnieuw richten op de waarneming. De weg van de contemplatie kan daarbij een waardevolle hulp zijn.
De transformatie van ons geestelijk leven verloopt volgens Franz Jalics noodzakelijkerwijs via de weg van de contemplatie. Deze kent twee fasen: een actieve contemplatie — die als overgangsfase dient — en een passieve contemplatie.
Juist omdat de transformatie zo radicaal is, bestaat er een overgangsgebied, een niemandsland, waarin de transformatie geleidelijk vorm krijgt, maar nog niet het punt heeft bereikt waarop men ervaart dat God het initiatief heeft genomen. De mens moet zich inspannen om zich niet langer in te spannen […]. Deze staat of houding kan door God zomaar geschonken worden, maar de gebruikelijke weg is een voorbereiding die tot doel heeft dat wij ons tot God kunnen richten en dat wij ons losmaken van discursief denken en van de bekommernis om onze psychische ontwikkeling.
Dit overgangsgebied wordt actieve contemplatie genoemd, omdat de mens nog steeds actief gebruik maakt van zijn aandacht.
In zijn werk Contemplatieve oefeningen leidt Franz Jalics de retraitant stap voor stap langs de weg van het stil worden en het leeg worden. De eerste stap in dat proces gaat om aandacht. “In de waarneming blijven betekent in het heden blijven […], God is toegankelijk via het heden.” In de waarneming blijven betekent in het “hier en nu” blijven. Verankerd zijn in onze werkelijkheid betekent “in het heden blijven” en niet wegrennen naar het verleden of de toekomst.
Dit houdt in dat we de reflexieve dynamiek loslaten — de gedachten die ons vastzetten in de planning van wat nog moet komen of in de herinnering aan wat al is gebeurd. Het ultieme voorbeeld hiervan is niets minder dan de contemplatie van God in het eeuwige leven.
In het eeuwige leven zullen we niet over God nadenken, maar Hem aanschouwen. We zullen ons ook niet met God verbinden door uiterlijke activiteiten; we zullen Hem enkel aanschouwen en liefhebben. Wat in het eeuwige leven onze enige activiteit zal zijn, begint hier op aarde […]. Om ons voor te bereiden op de genade van de contemplatie, moeten we leren waarnemen.
De eerste oefening die hij voorstelt, heeft te maken met de waarneming van de natuur. Net als Mozes worden we uitgenodigd om “onze sandalen uit te doen” en de natuur waar te nemen: wandelen, ronddwalen, aandachtig en fijngevoelig zijn voor wat we waarnemen, zonder ander doel dan gewoon te zijn.
Wanneer we merken dat we worden afgeleid, of wanneer de reflexieve dynamiek of een zorg opnieuw de overhand nemen, wordt de retraitant gevraagd om terug te keren naar de waarneming. Geleidelijk aan worden nieuwe vormen van waarneming geïntroduceerd: de ademhaling of de handen met de handpalmen op enige afstand van elkaar.
In het contemplatief gebed dient het heden zich aan als een venster waar God doorheen komt. Het is in het héden dat de Heer toegankelijk is en wij Hem kunnen ontmoeten. Daarom omschrijven de benedictijnen het doel van elke spirituele ontwikkeling meestal als “een transformatie in de aanwezigheid van God”. We moeten leren leven in ons heden en daarin verblijven.
Dit is wat Simone Weil bijvoorbeeld uitwerkt als “aandacht”: “In haar hoogste vorm is aandacht hetzelfde als gebed. Aandacht veronderstelt geloof en liefde. Aandacht die volkomen zuiver is en zonder vermenging, is gebed.”
Franz Jalics benadrukt dat waarneming niet vermoeit, in tegenstelling tot denken en handelen. Waarneming is de best mogelijke rust. Ze verfrist en ontspant ons.
Hannah Arendt beschouwt de 20e eeuw als het tijdperk van de actie. Volgens haar wordt zelfs onze relatie met de natuur bemiddeld door het handelen. Het probleem van het leven volgens het paradigma van de actie — eerder dan dat van de contemplatie — is dat activiteit, de maalstroom van het doen, geen relationele energie opwekt. Het laat geen ruimte voor de ontmoeting met de Ander: noch met God, noch met anderen, noch met onszelf.
En zoals Byung-Chul Han stelt, ontstaat er een ervaring van diepe verveling, die niets anders is dan een lege tijd. Paradoxaal genoeg zou de oorzaak van die verveling een leven zijn dat volledig beheerst wordt door handelen, zonder contemplatie. Verveling ontstaat in een leven vol bezigheden, maar zonder contemplatie, zonder het “innerlijk smaken” van wat we beleven.
De Zuid-Koreaanse filosoof citeert een passage uit De man zonder eigenschappen van Musil, waarin de auteur zich een Eeuwige sabbat voorstelt, die een rijk van inactiviteit zou zijn.
Daar moet men volledig stil blijven […]. Men moet ook afstand doen van de attitude waarmee men zijn zaken afhandelt. Men moet aan de geest elk werktuig ontnemen en verhinderen dat hij als werktuig dient […]. Men moet gewoon de vrede voor lief nemen totdat het hoofd, het hart en de ledematen louter stilte zijn. Als men zo het hoogste loslaten bereikt, dan zullen eindelijk buiten en binnen elkaar raken, alsof de wig die de wereld deels verdeelde, weggeschoten is.
In de mystiek zoals Musil die voorstelt, ontstaat er een nieuwe relatie tussen het innerlijke en het uiterlijke, tussen het subject en de schepping. Beide worden doorlaatbaar en staan met elkaar in wisselwerking. In dit nieuwe kader, waarvan contemplatie de voorwaarde is, is de schepping niet langer louter een realiteit om te manipuleren of om uit te buiten.
Ivonne Gebara benadrukt krachtig de noodzaak van een epistemologische wending die ons in staat stelt tot “nieuwe manieren van kennen die nauw verbonden zijn met nieuwe kosmologieën en wereldbeelden, en met meer holistische antropologieën.” De nadruk ligt hierbij op de noodzaak om dualismen en hiërarchische dynamieken te overstijgen die aanwezig zijn in onze gevestigde vormen van kennis. Zou de noodzaak tot contemplatie dan niet zowel hulpmiddel als symptoom kunnen zijn van deze wending in het kennen?
De westerse epistemologie is grotendeels gebaseerd op hiërarchisch gestructureerde binaire tegenstellingen (cultuur-natuur, hemel-aarde, geest-lichaam, rede-emotie, man-vrouw), waarbij vrijwel altijd het eerste element in het binair paar hoger gewaardeerd wordt. Dit valt vaak samen met de kenmerken die traditioneel worden toegeschreven aan het mannelijke geslacht, zoals ecofeministen aantonen.
Dat is wat mij het meest fascineert aan het ecofeminisme: de poging om die sterke scheidingen te overstijgen die vooral in het westerse denken zijn gemaakt […]. Ik denk dat er ook dualiteiten bestaan in inheemse tradities, of in het yin en yang, maar die zijn complementair; ze kunnen overstegen worden, of minder uitsluitende, meer dialectische vormen aannemen.
Het christelijke verhaal en het westerse denken drukken het antropocentrisme en het androcentrisme dermate sterk en in zulke scherpe tegenstellingen uit dat er uiteindelijk niets tussenin mag bestaan — niets grijs, niets veranderlijks.
Een contemplatieve benadering introduceert — zij het misschien nog wat tastend — een nieuwe manier van kennen, een nieuwe epistemologie die de onderlinge afhankelijkheid van de mens, de aarde en het heelal omvat. Binnen diezelfde denklijn kunnen we ook de oproep van paus Franciscus in Laudato si’ situeren:
We zijn opgegroeid met het idee dat we de eigenaars en heersers van de aarde zouden zijn, gemachtigd om haar uit te buiten. Het geweld dat in het menselijk hart aanwezig is door de zonde, komt ook tot uiting in de ziektesymptomen die we waarnemen in de bodem, het water, de lucht en in de levende wezens. Daarom behoort onze onderdrukte en verwoeste aarde tot de meest verlaten en mishandelde armen, zij “zucht en lijdt barensweeën” (Rom 8,22). We vergeten dat wij zelf aarde zijn (vgl. Gen 2,7).
Ons eigen lichaam is opgebouwd uit de elementen van de planeet, haar lucht geeft ons adem, haar water schenkt ons leven en herstelt ons.
Laudato si’ kondigt aan en schetst een weg die wij allen, vroeg of laat, zouden moeten bewandelen indien we een antwoord willen bieden aan de apocalyptische eisen die voortvloeien uit de huidige sociaalecologische crisis. In dit scenario is een echte contemplatieve houding — bemiddeld door het contemplatief gebed — een van de beste tegengiffen.
Enerzijds kan deze houding ons helpen om een almachtige en op onszelf gerichte houding af te bouwen; anderzijds plaatst zij ons in een paaservaring vanuit een soteriologisch en kosmologisch perspectief. Zo brengt zij ons dichter bij de inspiratie van Paulus (cf. de brieven aan de Efeziërs en de Kolossenzen).
In deze brieven legt Paulus immers een onlosmakelijk verband tussen verlossing, de kosmische dimensie van het christelijk geloof en de dringende zorg voor het gemeenschappelijk huis.
We verlangen ernaar meer tijd te hebben. We verlangen naar een contemplatieve rust die ons verandert in mensen die ontvankelijk en verstandig genoeg zijn, met zintuigen die openstaan voor het heden, in al zijn rijkdom en diversiteit.
Don Teo Huenumán, de Mapuche-leider die de Chileense jezuïeten verwelkomde in de gemeenschap van Tirúa, zei: “Wij hebben weinig dingen, maar we hebben tijd”. Wij, daarentegen, hebben veel dingen, maar geen tijd. We hebben weinig tijd om dankbaar te zijn, om stil te staan en diep adem te halen, om “te proeven en te zien hoe goed de Heer is” voor ons en voor anderen. We gaan snel; misschien te snel. We gaan van de ene ervaring naar de andere, van het ene landschap naar het andere, van de ene plek naar de andere. We rennen overal naartoe. Velen van ons komen bijna overal te laat.
En vaak voelen we ons alsof we de dingen maar half doen, zonder de diepgang die we zouden willen. Het is moeilijk voor ons om te vertragen, om te verwijlen, om “in de liefde te blijven”. Onze relaties worden steeds vluchtiger (Z. Bauman), vergankelijk, net als consumptiegoederen met een ingeplande veroudering.
Ze zijn ontworpen om binnen een bepaalde tijd stuk te gaan, waardoor we gedwongen worden het volgende model te kopen. Dat is de logica van het systeem. De cyclus van verschijnen en verdwijnen van dingen wordt steeds korter. De consumptie-economie zou instorten zodra mensen zouden beginnen zorg te dragen voor hun spullen, ze zouden verfraaien en zouden helpen om langer mee te gaan.
Het moeilijke aan deze snelheid is precies dat ze ons van binnenuit verstrooit. Ze laat ons niet toe om in ons hart die betekenisvolle ervaringen te waarderen die ons van binnenuit opbouwen, die ons hart verbinden met de bron van diepe liefde en schoonheid. Vertragen vraagt om een innerlijke capaciteit om betekenis te verzamelen. Het vraagt dat we gewend raken diepgaand te contempleren, om verder te kijken dan wat zichtbaar is, om ons te laten verwelkomen en te laten ontvangen door de Ander.
Zoals Angelus Silesius al in de 17e eeuw zei:
Sta stil, waar ren je naartoe?
De hemel is in jou.
Als je God ergens anders zoekt,
zul je Hem altijd verliezen.
In de filosofische traditie weten we dat voor Aristoteles het hoogste geluk voortkwam uit het contemplatief verwijlen bij de schoonheid — wat vroeger “theorie” werd genoemd.
Hartmut Rosa stelt in zijn boek Résonance. Une sociologie de la relation au monde dat een andere manier van omgaan met de wereld mogelijk is, maar dat deze slechts tot stand kan komen via een gezamenlijke politieke, economische en culturele revolutie. Zijn sociologische analyse plaatst het hart van de huidige ecologische crisis niet in het irrationele gebruik van natuurlijke hulpbronnen, maar in het feit dat we de schepping reduceren tot een eenvoudig middel, haar “wachtende resonantiekarakter” ontkennend.
Het tegengif dat Rosa voorstelt voor de vele crisissen is resonantie: toelaten dat dingen ons raken, dat de wereld en de mensen opnieuw diep in ons resoneren. Het ritme dat ons wordt opgelegd door sociale media en de productiedynamiek van het kapitalisme zou zo een uitweg kunnen vinden in de resonantie. Is resonantie niet tegelijk het eerste begin van contemplatie én haar gevolg? Maar daarvoor moet het luidruchtige ik verdwijnen, met zijn wil, zijn doelen en zijn gerichtheid.
Het Antropoceen — de benaming die wetenschappers geven aan ons huidige tijdperk — duidt op een volledige onderwerping van de natuur aan het handelen van de mens. Hierbij verliest de natuur haar autonomie en waardigheid door de extractivistische en manipulerende logica van de moderne mens. Dat heeft ons gebracht tot de ecologische catastrofe en de sociaalecologische crisis waarin we ons bevinden.
Tegenover de gevolgen van dit nieuwe tijdperk van het Antropoceen (zoals de opwarming van de aarde, de klimaatverandering, de door vervuiling verwoeste ecosystemen, enzovoort) lijkt contemplatie zich aan te bieden als een fundamenteel spiritueel en poëtisch middel dat we moeten herontdekken en versterken.
Zoals Byung-Chul Han opmerkt: “Om de catastrofale gevolgen van de menselijke tussenkomst in de natuur te herstellen, is resolute actie nodig […]. Daarom is het nodig om de contemplatieve dimensie van het handelen te vergroten.”
Hier biedt de ignatiaanse spiritualiteit een stevig klankbord en verdient ze het om opnieuw ontdekt te worden. Zoals J.B. Libanio zegt:
De horizon van de schepping door God, zoals die in het Uitgangspunt en fundament centraal staat, verwijst de retraitant naar een houding van aanbidding eigen aan de sabbat, eerder dan naar de dagdagelijkse werkhouding. De bekroning van de schepping is de sabbat, van waaruit de relatie tussen mens en natuur begrepen wordt als een primair hymne-achtige houding. Het Uitgangspunt en fundament draagt een spirituele en ecologische ingesteldheid in zich.
Het contemplatief gebed — in ignatiaanse zin — stelt ons in staat om tot een aanbiddende sabbathouding te komen. Dan wordt het hart van onze relaties weer gekenmerkt door vrijgevigheid, binnen een perspectief van geven en ontvangen. Het leidt ons tot een andere manier om “in de wereld te staan”. “Alleen de Sabbat verleent de schepping een goddelijke wijding. Goddelijk is de rust […]. Zonder rust verliest de mens het goddelijke.” Deze rust maakt deel uit van de zorg die we moeten bieden aan het gemeenschappelijk huis dat ons omhult.
Zorg dragen voor de schepping is de gave en het mandaat die God aan Adam en Eva schenkt in het verhaal van Genesis. Het paradigma van Genesis 2,15-17 leidt ons naar een ecologische ethiek die zich verzet tegen de utilitaristische ethiek van de huidige economische systemen. Het verlaten van eenzijdig antropocentrisme lijkt mogelijk door een contemplatieve logica die zich boven het loutere handelingsparadigma stelt, waarbij de relatie tussen mens en omgeving niet enkel in een dualistische benadering wordt gezien.
God zelf waakt als eerste over Zijn schepping, zoals Psalm 121 aangeeft: “Nee, Hij sluimert niet, de wachter van Israël.” God schept door verschillen te maken en onderscheidingen aan te brengen. Hij waakt over zijn schepping op vele manieren, o.a. door het scheppen van scheppende mensen — mensen die in staat zijn zorg te dragen voor het gemeenschappelijk huis.
Maar, opdat deze roeping tot zorg daadwerkelijk tot uiting komt, doet de christelijke spirituele traditie een beroep op het cultiveren van een “contemplatieve blik” op de werkelijkheid. Het is mogelijk om deze gevoeligheid te ontwikkelen en te oefenen via het contemplatief gebed, dat ons — beetje bij beetje — helpt de “fallische blik” te deconstrueren, een blik die gevormd is om te bezitten, te hebben, te handelen en te onttrekken.
Vanuit dat perspectief presenteert het contemplatief gebed zich als een geestelijk en politiek verweer tegen de extractivistische en vernietigende tendensen ten opzichte van ons gemeenschappelijk huis. De beoefening ervan helpt ons om in ons dagelijks leven opnieuw die openheid in te weven die nodig is om de vreugde van de schoonheid van de schepping te kunnen ervaren.
Bron: Manresa, vol. 96 (2024), pp. 377-384
Vertaling: Wiggert Molenaar sj
Nederlandse publicatie: Cardoner 2025-3
Carlos Álvarez is een Chileense jezuïet en theoloog-onderzoeker, verbonden aan de Universidad Alberto Hurtado en de Pontificia Universidad Católica in Santiago de Chile. Een van zijn vele aandachtsgebieden is de ontwikkeling van het sociaal katholicisme in het 20e-eeuwse Chili.

Bekijk alle artikelen van Cardorner