
Wat is het Bijbels en spiritueel fundament van het bidden met de naam van Jezus in de contemplatieve oefeningen van Franz Jalics?
Wat is het Bijbels en spiritueel fundament van het bidden met de naam van Jezus in de contemplatieve oefeningen van Franz Jalics?
Door Pieter-Paul Lembrechts sj
De contemplatieve oefeningen van Jalics zijn een van de vele vormen van bidden die het aantal woorden bewust beperken, meestal tot één enkel woord of een korte zin. Wie deze weg wil inslaan, kan kiezen uit meerdere gebedswoorden. Franz Jalics geeft de voorkeur aan de naam van Jezus. Deze keuze heeft diepe wortels in de Bijbel en de geschiedenis van het spirituele leven. Ik ontwikkel hierover slechts enkele gedachten.
In de Hebreeuwse traditie mag men de naam van God niet uitspreken. Iemands naam is die persoon zelf. Iemands naam uitspreken is die persoon aanwezig stellen, hem definiëren, macht over hem uitoefenen. Maar God kun je niet definiëren noch in je macht hebben.
Het boek Genesis vertelt over een nachtelijk gevecht van aartsvader Jakob met een onbekende (een engel? God?) aan de rivier de Jabbok (32,23-33). Op een gegeven moment vraagt Jakob zijn tegenstander: “Maak mij uw naam bekend.” Maar deze antwoordt: “Waarom vraagt u naar mijn naam?” De onbekende geeft zijn naam niet prijs. God laat zich zijn naam niet ontfutselen.
Nu nog spreken joden de vier letters waaruit de naam van God bestaat, niet uit overeenkomstig hun fonetica. In plaats daarvan zeggen ze Elohim, “God”, of vaker Adonai, “Mijn Heer”. Zo wordt de ondefinieerbare identiteit van God gevrijwaard. Het Oude Testament maakt voorbehoud bij elk spreken over God. Niemand kan beslag op God leggen. Niemand moet “in naam van God” zeggen wie of wat God is.
Maar op een dag maakt God zelf zijn naam bekend aan Mozes, bij de Horeb, bij de brandende doornstruik. De episode gaat vooraf aan de uittocht uit Egypte. Tevoren was God alleen gekend als “de God van Abraham, Isaak en Jakob” (Ex 3,6; 6,3), maar nu openbaart Hij zijn naam: “Ik ben wie/wat Ik ben” (3,14). Deze uitdrukking klinkt als een lege formule, een niet-naam, of opnieuw een weigering om zijn naam bekend te maken. Het is alsof God zegt: “Ik ben totaal anders. Ik heb geen naam zoals mensen. Mijn identiteit kun je niet vatten in een klank of omschrijven door middel van een naam.” Woorden kunnen het mysterie van God niet omvatten.
Niettemin kun je uit die raadselachtige formule heel wat afleiden. Het “Ik ben” van God is geen leeg, abstract zijn. Het is geen filosofische uitspraak als: “Ik ben het zijn” of “Ik ben de metafysische grond van al wat is”. Het zijn van God is een concreet, actief zijn, een “er zijn”, een actieve openheid en aanwezigheid ten aanzien van mensen: “Ik ben degene die er altijd is/zal zijn voor u” (de Hebreeuwse werkwoordsvorm kan zowel tegenwoordige als toekomende tijd zijn). God is “degene die er is”.
Dat is zijn identiteit: er zijn met en voor mensen – en dat zal zich bij uitstek openbaren in de geschiedenis van de uittocht uit Egypte en de inbezitneming van Kanaän. De God van Israël is een God met de mensen.
Terzijde: in het Nieuwe Testament is dat de naam van Jezus, namelijk Immanuël. Wanneer een engel in een droom aan Jozef de geboorte van Jezus aankondigt, citeert Matteüs Jesaja 7,14: “Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat door de Heer bij monde van de profeet gezegd is: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en ze zullen Hem de naam Immanuël geven, wat betekent: God met ons” (Mt 1,22-23). In het allerlaatste vers van het Matteüsevangelie komt die idee terug: “Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld” (28,20).
Opnieuw bij de Horeb, maar nu na de uittocht, op de top van de berg, verduidelijkt God zijn naam: “De Heer daalde neer in een wolk, kwam bij Mozes staan en riep de naam Heer uit. De Heer ging hem voorbij en riep: Heer! De Heer is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw” (Ex 34,5-6).
De Godsnaam wordt hier wat meer ingevuld door middel van vijf woorden: barmhartigheid, genade, geduld, liefde, trouw. Het is een poging om te zeggen wie God is, maar zoals elke poging is ze ontoereikend. Men zou kunnen zeggen dat de hele Bijbel een pogen is om te zeggen wie God is, een cirkelen om de onuitsprekelijke naam van God.
In de loop van de geschiedenis van Israël krijgt de Naam een vaste plaats in de tempel van Jeruzalem, gebouwd door koning Salomo. God sprak tot Salomo: “Wat deze tempel betreft die u laat bouwen: als u zich richt naar mijn wetten, mijn voorschriften uitvoert, al mijn geboden onderhoudt en ernaar leeft, dan zal Ik voor u de belofte waarmaken die Ik uw vader David gedaan heb; dan zal Ik te midden van de Israëlieten wonen en mijn volk Israël niet verlaten” (1 K 6,12-13).
De plaats waar God aanwezig is bij zijn volk, zal vanaf nu de tempel van Jeruzalem zijn; in het achterste deel ervan, het “heilige der heiligen”, zal God “wonen” te midden van zijn mensen. Merk op: Israël zal nooit zeggen dat God daar woont. God is oneindig verheven, hemel en aarde kunnen Hem niet omvatten; God kan niet omsloten worden door een gebouw. Daarom zegt de Bijbel dat zijn naam daar woont. De tempel is “de plaats die de Heer uitkiest om daar zijn naam te vestigen” (Dt 12,5.11). De “naam van God” is God zelf voor zover Hij aanwezig is bij de mensen, zijn aanwezigheid te midden van zijn volk (zijn immanentie).
Door zijn naam is God helemaal tegenwoordig onder de mensen, en toch alles wat mens en wereld is overstijgend (zijn transcendentie). Die naam betekent: God laat zich aanroepen, is in gemeenschap getreden met Israël, bereikbaar voor mensen – en toch altijd oneindig groter en onbegrijpelijk.
Als de naam van God de openbaring is van zijn identiteit, namelijk zijn actieve aanwezigheid bij de mensen, dan is het niet verwonderlijk dat de eerste christenen alles wat Israël aan die naam toegeschreven had, gingen toekennen aan Jezus Christus. In de Filippenzenbrief citeert Paulus een hymne waarin de verrijzenis van Christus bezongen wordt met de metafoor: “God heeft Hem de naam verleend die boven alle namen staat” (2,9).
Met andere woorden Hem werd de naam van God zelf, de identiteit van God gegeven. Het is een manier om te zeggen: in de verrijzenis openbaart zich de goddelijke identiteit van Jezus. En de tekst gaat verder: “In de naam van Jezus moet iedere knie zich buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde” (2,10). De betekenis van de naam Adonai wordt hier overgedragen op de naam Jezus.
In het evangelie van Johannes komen veel uitspraken van Jezus voor die beginnen met “Ik ben”: “Ik ben het brood om van te leven; Ik ben het licht van de wereld; Ik ben de goede herder, de deur voor de schapen, de verrijzenis en het leven, de ware wijnstok” enz. Of ook: “… dan zullen jullie geloven dat Ik ben” (13,19). Het zijn allemaal allusies op de naam van God. “Ik ben” is voortaan Jezus.
Nog in het vierde evangelie zegt Jezus in zijn afscheidsgebed: “Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen uit de wereld, die U Mij had toevertrouwd” (17,6). Jezus is de nieuwe Mozes, die voltooit wat bij de brandende doornstruik een aanvang had genomen. Dat Jezus Gods naam geopenbaard heeft wil niet zeggen dat Hij de mensen een nieuw woord, een nieuwe, meer gepaste aanduiding voor God meegedeeld heeft.
Hij heeft wel een nieuwe wijze van Gods tegenwoordig zijn aan de mensen bekendgemaakt. Jezus is zelf die tegenwoordigheid. God is nu aanwezig in de wereld in de persoon van Jezus. In Hem is God mens geworden, in ons bestaan gekomen. Christus zelf, als persoon, is nu de “naam” voor God. Hij is de nieuwe tempel, waarin God onder de mensen woont (vgl. Joh 2,21: “Jezus doelde op de tempel van zijn lichaam, de tempel die Hijzelf was”).
God is bereikbaar voor mensen, niet meer in een tempel van steen, maar in de mens Jezus. “Uw naam heb Ik hun bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen” (Joh 17,26). In Jezus geeft God zich aan de mensen, maar niet als een feit uit het verleden; God blijft in Christus naar de mensen toe gaan, opdat zij tot Hem kunnen komen.
In de oosterse kerken wordt sinds de vijfde eeuw het Jezusgebed beoefend, dat bestaat in het voortdurend herhalen van de naam van Jezus. Deze praktijk nam een hoge vlucht in de Byzantijnse kerk van de dertiende tot de vijftiende eeuw, de periode van het zogenaamde “hesychasme”. In het Westen ontwikkelde de devotie tot de naam van Jezus zich in de late middeleeuwen eerst in het franciscaanse milieu.
De heilige Bernardinus van Siëna droeg in hoge mate bij aan de verspreiding van het monogram IHS. Dit zijn in feite de eerste twee en de laatste letter van de naam van Jezus in het Grieks (IH-SOU-S). Aan dit monogram heeft Sint-Ignatius wellicht zijn grootste bekendheid gegeven. Hij gebruikte het aan het begin van belangrijke brieven en andere geschriften. Het kwam bijvoorbeeld voor op de titelbladzijde van de eerste Latijnse uitgave van het boekje van de Geestelijke Oefeningen.
Later werd het Jezusmonogram het zegel van de jezuïetenorde. Ignatius en zijn vrienden vonden dat niemand anders aan het hoofd van hun gemeenschap stond dan alleen Jezus Christus, de enige die zij wilden dienen. Daarom noemden zij hun groep het “Gezelschap van Jezus”. In de Formula Instituti, de in 1539 door de eerste gezellen opgestelde stichtingsakte, schrijven zij dat zij hun Sociëteit “getekend met de naam Jezus” wilden zien. Het feest van de naam van Jezus op 3 januari is dan ook het titelfeest van de Sociëteit.
Franz Jalics knoopt dus aan bij een lange traditie. De naam van Jezus is niet zomaar een willekeurig gebedswoord. Het is zijn persoon zelf; door zijn naam is Christus aanwezig. Bidden met de naam Jezus is in relatie met Hem treden, en door Hem met de Vader. Het “gebed van de naam” is niet slechts een techniek om tot concentratie te komen, een middel tegen dwalende gedachten. Het doel is dat deze naam een woonplaats krijgt in ons binnenste. De plaats waar God “woont”, wordt zo ons eigen hart.
Publicatie: Cardoner 2025-3
Pieter-Paul Lembrechts i, een Vlaamse jezuïet. Hij is diep vertrouwd met de ignatiaanse spiritualiteit. Hij was redacteur van het blad Cardoner en directeur van het voormalige retraitehuis Godsheide in Hasselt. Tegenwoordig woont en werkt hij in de Oude Abdij van Drongen, waar hij onder meer elke zomer deelnemers begeleidt tijdens de contemplatieve oefeningen. Daarnaast is hij nauw betrokken bij het werk van de Jesuit Refugee Service (JRS).

Bekijk alle artikelen van Cardorner